Nederlandse kinderen pesten juist relatief weinig

Ouders kunnen online pesten niet uitbannen. Ze kunnen hun kinderen er wel op voorbereiden, aldus Phaedra Werkhoven.

De kindertelefoon luidt de noodklok. Want wat blijkt? Kinderen worden steeds zwaarder gepest. En deze keer niet op het schoolplein, maar op hun smartphone, 24/7. Konden ze vroeger de deur nog dichttrekken om zo het pesten buiten te sluiten, tegenwoordig gaat het maar door.

Soms gaat het gruwelijk mis. Nadat een aantal kinderen zelfmoord had gepleegd omdat ze werden gepest, stak een 16-jarige jongen uit Voorburg vorig jaar een klasgenoot dood. Hij werd al acht jaar lang gepest.

Pesten is big business geworden. Dat kunnen we wel constateren, als na Johnny de Mol zelfs misdaadverslaggever Peter R. de Vries zich opwerpt als beschermer en oplosser voor internetpesten in zijn nieuwe programma Internetpesters aangepakt.

Nu trekt de Kindertelefoon aan de bel over cyberpesten en voilá, daar is weer een nieuw online platform, van diezelfde Kindertelefoon in samenwerking met Kidsweek en CartoonNetwork. Het wachten is op de volgende bewustwordingscampagne onder kinderen tegen pesten. Die rotkinderen ook!

Maar wordt het niet eens tijd voor een bewustwordingscampagne voor ouders en docenten?

In Europa staat Nederland onderaan de lijst met meest gepeste kinderen, zo blijkt uit cijfers van het Nederlands Jeugdinstituut. Toegegeven, er zijn heel veel cijfers. Die laten het aantal pesters en gepesten stijgen en dalen. Die laten óók zien dat het om een relatief kleine groep gaat. Dat geen enkel pestprotocol echt blijkt te werken. Zo geeft de ene school aan met eenzelfde protocol een daling te hebben gezien, terwijl de andere juist een stijging constateert. Dat lijkt op trial and error.

Wat weten we dan wel? Dat een open en vriendelijk schoolklimaat bijdraagt aan minder pesten. Logisch, zou je zeggen.

Zo denk ik ook over de mededeling van de Kindertelefoon over de veranderende klachten van kinderen; die gaan niet langer over offline maar online pesten. Logisch toch. Of zijn we vergeten dat we in 2015 leven?

Jongeren van nu doen alles, maar dan ook alles, op hun smartphone, de moderne versie van een dagboek. Jongeren willen niets liever dan continu communiceren, dat weten docenten als geen ander. Vroeger gooiden we in de klas briefjes naar elkaar met verwensingen of liefdesverklaringen, tegenwoordig doen ze dat op hun smartphone. Volwassenen zouden dat ook doen, als ze nu weer puber waren.

Ik wil niets afdoen aan de gekwetstheid van gepeste kinderen. Van twaalfjarigen die het leven niet meer zien zitten, omdat ze zo worden gepest via hun telefoon. Dat is verschrikkelijk. Maar laten we niet doen alsof alle jongeren elkaar kapot maken online. Dat is niet waar. De meeste jongeren weten heel goed hoe ze met pesterijen om moeten gaan. Ze zijn harder, weerbaarder en schatten pesterijen vaak goed in. Ze weten wanneer ze te ver gaan. En ze weten ook hoe laf een toetsenbordterrorist is.

Er is niet zo veel anders aan nu dan aan vroeger – dan moet je als ouder wel de juiste normen en waarden meegegeven aan je kinderen. Dus laten we ook niet doen alsof we pestgedrag kunnen uitbannen uit hun leven. Maar geef je je kinderen een smartphone, weet dan wel wat je doet. Geef geen mobiel als ze nog op de basisschool zitten. Zo voorkom je al veel ellende. Maar bereid ze er wel vast op voor. Voed ze op.

Een telefoon is superhandig. Social media zijn leuk en leerzaam. En hier komt dus het probleem: veel ouders (en docenten) weten er bitter weinig van. Ze zijn er alleen maar bang voor. Regelmatig heb ik voor zaaltjes gesproken, over social media, en daar zaten ouders die echt geen idee hadden wat zo’n telefoon allemaal kon. En wat het nou was, dat Whatsapp en Snapchat en Instagram en Twitter. Serieus.

Veel deskundigen zeggen dat je als ouder moet praten met je kind, over smartphones en over school. Iedereen die pubers in huis heeft, weet dat dit op z’n zachtst gezegd nogal lastig is, zeker als je zelf totaal niet weet waar je het over hebt. (En zij dat bij het eerste woord al direct door hebben.)

Dus moeten ouders en docenten hun kinderen proberen bij te benen in de online wereld. Door zich erin te begeven. Door te weten wat er speelt. Koop een smartphone, check social media, volg een cursus, leer, leer en leer. Het is de hoogste tijd.

En geef je kinderen mee dat online niet zoveel anders is dan offline. Overal gelden dezelfde regels, ook als je iemand niet kunt zien. Ik vroeg vanochtend aan mijn zoon of er in zijn klas ook Whatsapp-groepen zijn. „Ja, zoveel,” antwoordde ’ie verveeld. „Met allemaal van die naaktfoto’s van meisjes erin. Zo dom. Dat doe je toch niet? Ik hoef dat echt niet te zien.”

Op zo’n moment ben ik trots. Trots dat mijn vertrouwen juist is. Want daar begint het mee. Zolang zij weten dat ze bij jou terecht kunnen, of je nu ouder bent of docent, heb je al een halve wereld gewonnen.