Mooi is niet alles

Jonge designers geven antwoord op grote vragen.

O

ntwerpers zijn wereldverbeteraars geworden. Die conclusie dringt zich op bij de tentoonstelling How We Work, new Dutch Design, in het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch. Gastcurator Tatjana Quax selecteerde werk van veertien Nederlandse ontwerpstudio’s, in de begeleidende catalogus ‘de avant-garde van het Dutch Design’ genoemd.

Het is al snel duidelijk: wat deze nieuwe lichting ontwerpers bindt, is een licht kritische houding ten opzichte van de massa- en overproductie. Voor ze aan het werk gaan, kijken ze eerst naar de berg producten die de wereld al rijk is en wat daar nog aan zou kunnen worden toegevoegd. En vervolgens lijken ze een mentaliteits- of gedragsverandering belangrijker te vinden dan esthetiek – mooimakerij is de meesten vreemd.

Neem Dirk Vander Kooij. Geïnspireerd door de enorme, drijvende vuilnisbelt in de oceanen versmelt hij in zijn werkplaats in Zaandam gebruikte wegwerpbekertjes, oude VHS-banden en andere plastic troep om er robuuste meubels en lampen van te maken.

Studio rENs van Renee Mennen en Stefanie van Keijsteren doet iets vergelijkbaars. Ze geven onverkoopbare tweedehands kleding en reststukken tapijt een nieuw leven door ze in verschillende tinten rood te verven en er zo begeerde ‘nieuwe’ voorwerpen van te maken. Pepe Heykoop weet zelfs iets waardevols te maken van twee keer niets. In kringloopwinkels jut hij afgedankte meubels en lampen. Deze winkeldochters bekleedt hij met aan elkaar gestikte leerkliekjes uit de afvalcontainers van de meubelindustrie. Heykoops ontwerpen spreken zo tot de verbeelding, dat zijn Tiny Miracles Foundation drie jaar geleden een productielijn voor vazen in India heeft kunnen opzetten. De bewoners van een straat in de hoerenbuurt in Mumbai hielden er een broodwinning aan over.

Andere ontwerpers zoeken het antwoord op de consumptiedrang in ambachtelijke kwaliteit. Liefdevolle vervaardiging moet resulteren in gekoesterde en dus duurzamer producten. Zo zit in de truien van Christien Meindertsma een label met daarop het nummer van het schaap dat de wol leverde – zo’n trui moet wel langer meegaan dan een anonieme trui van H&M.

Valentin Loellmann sprokkelt in het bos stevige hazeltakken die hij gebruikt voor de onderstellen van zijn verfijnde, handgemaakte meubels. En Lex Pott deed zijn best om van het hout van één dertig jaar oude douglasspar van de Veluwe een hele serie producten te maken: een kamerscherm, kastdeuren, kammetjes en, van de snippers, lucifers. Door delen van de planken te zandstralen legde Pott de geschiedenis van het hout bloot: de zachte delen (de snelle zomergroei) blies hij weg zodat de harde delen overbleven, met een even grillig als fascinerend resultaat.

Andere jonge ontwerpers zoeken antwoorden in hightech en sciencefiction. Zo werkt Joris Laarman aan een online platform waar design kan worden gedownload en 3D-geprint. Op de expositie staat zijn Bits & Crafts-stoel, gemaakt van kunststof puzzelstukken uit een eenvoudige thuisprinter.

Chris Kabels Blue Sky Lamp wordt geafficheerd als een medicijn tegen winterdepressie, omdat zij hetzelfde heilzame licht zou verspreiden als een helderblauwe hemel. Dat effect bereikte Kabel door vóór de lichtbron een plaat te bevestigen van ‘nanopoeder in combinatie met halftransparante kunsthars’. Dat nieuwe materiaal verstrooit licht op dezelfde manier als de aardse atmosfeer.

Kleiservies

De voorbeeldig vormgegeven tentoonstelling concentreert zich per ontwerper steeds op de ontwikkeling van één product, soms vanaf de eerste schetsen en met veel aandacht voor het materiaalonderzoek. Die keuze biedt soms veel inzicht over gemaakte keuzes. Zoals bij het kleiservies van Atelier NL, gebaseerd op monsters uit tweeduizend akkers in de Noordoostpolder. Maar bij de houten bank van Valentin Loellmann staan wat takken tegen een muur, en word je pas wat wijzer over het ontstaansproces als je elders in het museum een video over zijn werk bekijkt.

Wat dat betreft is het fijn dat samensteller Quax met fotograaf Inga Powilleit en journalist Merel Bem ook een boek over de werkwijze van de veertien gepresenteerde ontwerpers heeft gemaakt. Een fraai fotoboek met korte toelichtingen, die best wat langer hadden mogen zijn.

Aan het boek is een vijftiende ontwerper toegevoegd, de man die misschien wel de voorganger van de nieuwe generatie ontwerpers is: Daan Roosegaarde.

Roosegaarde werd bekend met zijn Smart Highway, de snelweg die met de gebruiker ‘communiceert’ middels speciale verven, energieopwekkers en sensoren. Hij is een ontwerper die nauwelijks nog denkt in termen van ‘producten’. Van zijn hand geen kekke vazen, stoelen of lampen. Roosegaarde noemt zichzelf ‘een hippie met een businessplan’, die zoekt naar innovatieve oplossingen voor grote problemen als de smog in de Chinese stad Beijing.

Wat How We Work duidelijk maakt, is dat jonge ontwerpers de wereld niet voller, maar eerder leger en beter willen maken.