Kom op, Ei

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week: een fragment uit Wij van David Nicholls.

Een roman over de laatste zomer van een uiteenvallend gezin: zodra hun zoon het huis uitgaat, is het met het huwelijk van Connie en Douglas ook welletjes. Vindt zij.

De vakantie was Connies idee geweest. ‘Een grand tour om je voor te bereiden op het leven als volwassene, net als in de achttiende eeuw.’ Ook daar wist ik niet veel van. Volgens Connie was het ooit traditie dat jonge mannen uit een zekere klasse en van een zekere leeftijd een culturele pelgrimstocht maakten naar het continent. Daar volgden ze gebaande paden en gingen, met behulp van lokale gidsen, bepaalde eeuwenoude archeologische vindplaatsen en kunstwerken bekijken, om vervolgens als ontwikkelde, beschaafde mannen met ervaring terug te komen in Engeland. In praktijk was dat gebruik grotendeels een excuus voor drinken en hoereren en bestolen worden, om vervolgens huiswaarts te keren met geroofde kunstschatten, een paar flessen lokale drank en geslachtsziekten.

‘Waarom kan ik dan niet gewoon naar Ibiza?’ zei Albie.

‘Geloof me,’ zei Connie, ‘dit is echt stúkken leuker.’ We zaten aan de keukentafel op een zondagochtend – dit was nog in betere tijden, vóór de aankondiging van mijn vrouw – met mijn oude Times Atlas opengeslagen op een kaart van West-Europa. Connie straalde een soort opgewektheid uit die ik al een tijd niet had gezien.

‘Je moet niet vergeten dat dit allemaal gebeurde in een tijd dat er nog geen goedkope reproductietechnieken waren, dus de grand tour was hun enige kans om al die meesterwerken te zien, los van onbetrouwbare zwart-witte gravures. Al die grootse bouwwerken uit de klassieke wereld en de renaissance, de kathedraal van Chartres, de Duomo in Florence, het San Marcoplein, het Colosseum. Je nam schermlessen, stak de Alpen over, verkende het Forum Romanum, keek in de krater van de Vesuvius en liep door de straten van Napels. En inderdaad, je dronk en hoereerde en raakte betrokken bij vechtpartijen, maar je kwam wel terug als een mán.’

‘Dan wordt het dus Ibiza,’ zei Albie.

‘Kom op, Ei! Doe niet zo dwars,’ zei Connie. Als een oprukkende generaal liet ze haar vinger over de pagina’s van de atlas glijden. ‘Kijk – we beginnen in Parijs, bekijken de voor de hand liggende dingen: het Louvre, het Musée d’Orsay, de Monets en de Rodins. Dan gaan we met de trein naar Amsterdam, bekijken Rembrandt in het Rijksmuseum, de Van Goghs. Vervolgens banen we ons een weg – zonder vliegtuigen, zonder auto’s – over de Alpen naar Venetië, omdat het Venetië is. Terug via Padua voor de Scrovegnikapel, Vicenza voor de villa’s van Palladio, Verona – Verona is prachtig – en Het laatste avondmaal in Milaan. Florence, voor de Botticelli in de Uffizi en, nou ja, gewoon voor Florence – dan Rome! Rome is prachtig. Tussendoor nog even naar Herculaneum en Pompeï, en dan eindigen in Napels. Idealiter zouden we dan natuurlijk ook nog even naar het Kunsthistorisches in Wenen en naar Berlijn gaan, maar we moeten even kijken of je vader dat wel redt.’

Ik stond de afwasmachine uit te ruimen en beken dat ik werd afgeleid door zowel de lage dosis glansmiddel als de ruïnerende kosten van al dat gereis. Maar ze leek echt erg opgetogen door dit alles en misschien zou het inderdaad eens wat anders zijn dan onze recente gezinsvakanties, waarbij we snibbig, rusteloos en verbrand bij het zwembad van een dure villa lagen of vochten voor het piepkleine stukje van de Middellandse Zeekust waar we recht op meenden te hebben.

Albie bleef sceptisch. ‘Het komt er dus op neer dat ik ga interrailen met mijn pa en ma.’

‘Inderdaad, mazzelaar die je er bent,’ zei Connie. ‘Maar als dit bedoeld is als een rite de passage en jullie zijn er allebei bij, schiet het dan niet een soort van zijn doel voorbij?’

‘Nee, Ei, want je komt alles te weten over kunst. Als je in die tijd serieus met schilderen bezig was, dan was dit je opleiding, je universiteit. En dat is nu ook zo. Je kunt schetsen en foto’s maken, het allemaal in je opzuigen. Als je hier later je geld mee wilt verdienen, moet je deze dingen zien...’

‘Veel oude meesters, veel dode witte Europeanen.’

‘... al is het alleen maar om iets te hebben waartegen je je kunt afzetten. Trouwens, Picasso is een dode witte Europeaan, en jij bent gek op Picasso.’

‘Gaan we dan Guernica bekijken? Die wil ik heel erg graag zien.’

Guernica hangt in Madrid. Daar gaan we een andere keer naartoe.’

‘Jullie kunnen me ook gewoon het geld geven, dan ga ik alleen!’

‘Op deze manier is het educatíéf,’ zei Connie.

‘Op deze manier kom je ’s morgens je bed uit,’ zei ik.

Albie kreunde en legde zijn hoofd op zijn armen, en Connie kroelde met haar vingers door zijn nekhaar. Dit doen ze, Connie en Albie, aan elkaar friemelen als primaten. ‘We gaan ook leuke dingen doen. Ik zal ervoor zorgen dat je vader die inroostert.’

‘Om de vier dagen, of is dat te veel?’ Ik liep terug naar de afwasmachine. Niet alleen glansmiddel, ook zout; het ging er in een noodtempo doorheen en ik vroeg me af of ik het apparaat anders kon instellen.

‘Je kunt gewoon meiden versieren en dronken worden,’ zei Connie. ‘Je zult dat alleen moeten doen waar je vader en ik bij zijn. En naar je wijzen.’

Albie zuchtte en legde zijn wang op zijn vuist. ‘Ryan en Tom gaan rondtrekken in Colombia.’

‘Dat mag jij ook! Volgend jaar.’

‘Nee, dat mag hij niet,’ schreeuwde ik in de afwasmachine. ‘Niet in Colombia.’

‘Kop dicht, Douglas! Ei, lieverd, dit is waarschijnlijk de laatste zomervakantie met zijn drieën.’

Ik keek op en stootte mijn hoofd aan de rand van het aanrecht. De allerlaatste? Echt? Echt waar?

‘Hierna mag je het zelf uitzoeken,’ zei Connie. ‘Maar laten we nu proberen er een leuke zomer van te maken, oké? Voor deze laatste keer?’

Misschien was ze toen al haar ontsnapping aan het plannen.

Was mijn leven voorbij toen mijn vrouw me vertelde dat ze zou vertrekken bij het verkleuren van de bladeren? Lag ik in de kreukels of sleepte ik me door de dagen heen?

Natuurlijk waren er meer slapeloze nachten, meer tranen en beschuldigingen in de aanloop naar de reis, maar ik had geen tijd voor een zenuwinzinking. Bovendien was Albie bezig met het voltooien van zijn ‘opleiding’ kunst en fotografie, en kwam hij uitgeput van het zeefdrukken of het glazuren van een kruik thuis. En dus waren we discreet, lieten onze hond – een oude, winden latende labrador genaamd mister Jones – op enige afstand van het huis uit en sisten elkaar over zijn kop in de buitenlucht verwijten toe.

‘Niet te geloven dat je me hiermee overvallen hebt!’

‘Ik heb je niet overvallen, ik voel me al jaren zo.’

‘Je hebt er nooit iets over gezegd.’

‘Waarom zou ik.’

‘Mij hiermee overvallen, op dit moment...’

‘Het spijt me, ik heb geprobeerd zo eerlijk...’

‘Ik vind nog steeds dat we de grand tour moeten annuleren...’

‘Waarom dan?’

‘Wil jij nog steeds gaan? Terwijl dit boven ons hoofd hangt?’

‘Ik denk het wel...’

‘Rugzaktoeristen in een rouwstoet door Italië...’

‘Dat hoeft toch niet. Het wordt vast leuk.’

‘Als je de hotels wilt annuleren, moet je dat nu zeggen.’

‘Ik zeg je net dat ik wil dat we gaan. Waarom luister je nooit als...?’

‘Want als je je echt zo gevangen voelt in een hel op aarde...’

‘Doe niet zo melodramatisch, liefje, dat helpt niet.’

‘Ik snap niet waarom je dit hebt voorgesteld als je niet wilde...’

‘Ik wilde het wel, ik wil het nog steeds!’ Ze bleef staan en pakte mijn hand. ‘Laten we pas in het najaar een besluit nemen. We gaan met z’n allen op reis, we gaan het hartstikke leuk hebben met Albie...’

‘En dan komen we terug en nemen we afscheid? Je hoeft niet eens uit te pakken, je kunt gewoon je koffer in een taxi gooien en wegrijden...’

Ze slaakte een zucht en haakte haar arm door de mijne alsof er niets aan de hand was. ‘We kijken wel. We zien wel wat er gebeurt.’ En toen liepen we met mister Jones terug naar huis.