Ik ga het beter doen

De kwesties van zijn generatie komen vaak terug in de boeken en scenario’s van Philip Huff (30). „Oudere mensen zijn gelukkiger”, zegt hij bij een bord ravioli.

Philip Huff schrijft onder meer over moeizame ouder-kindrelaties. „Na mijn eerste roman zei mijn moeder: hoe durf je al die narigheid te schrijven? Mijn vader vond het een prima boek.”

In 2012 was schrijver Philip Huff tégen het krijgen van kinderen. Een kinderwens, schreef hij, komt voort uit zelfzucht en egoïsme. Een kind verwekken, bovenop de zeven miljard mensen die er al op de wereld zijn, is asociaal en slecht voor het milieu bovendien. „Je doet jezelf geen plezier met een kind. En het kind zelf trouwens ook vaak niet.” Eind 2013, na enig ‘kluswerk’ met een psycholoog, was hij vóór kinderen. Of althans, hij begreep dat mensen kinderen konden willen. „Een kindvrij leven is een persoonlijke keuze. Het omgekeerde ook.” Philip Huff is nu 30. Benieuwd wat hij dit jaar vindt.

Het scenario dat hij schreef voor de Telefilm Groenland (volgende week zaterdag op tv) voorspelt weinig goeds. Hoofdpersoon Hugo, documentairefotograaf, reist de wereld over om die ene, allesovertreffende foto te maken. Hij is de kunstenaar die, compromisloos, voor zijn (gesubsidieerde) kunst leeft. Dan ontmoet hij Iris, ze is begin 20, zeker tien jaar jonger dan hij. Zij is het soort ‘stadsprovinciaal’ dat ook vaak figureert in de boeken van Huff. In zijn roman Niemand in de stad, of zijn boek Boek van de doden komt altijd wel een grootstedeling voor die nooit eens over de stadsmuren kijkt.

De liefde tussen Hugo en Iris is hevig en gepassioneerd. Gaandeweg begint zij te denken aan samenwonen, een kind misschien. „Het gaat toch goed tussen ons”, zegt zij. Juist daarom, zegt de kunstenaar. Waarom zou je een goede relatie verpesten door te gaan settelen. Enfin, het loopt niet goed af. Zij vindt haar geluk bij een andere, degelijker man. Hij blijft, jaloers en eenzaam, achter.

We ontmoeten elkaar in een restaurant bij De Hallen, de oude tramremise in Amsterdam-West die tot culinair en cultureel centrum is verbouwd. Hij lacht voorkomend, schuift de tafel zodat ik als eerste kan plaatsnemen, schuift de tafel weer terug en vraagt wat ik wil drinken. Ondertussen legt hij zijn servet op zijn schoot, bestelt een verse muntthee en bedankt de serveerster die het brengt vriendelijk. Zoals het hoort, in sommige kringen. De kringen waar je zijn baardje, oranje kralenketting en gevlochten armbandjes dan weer niet verwacht.

De film Groenland is een bewerking van een kort verhaal dat hij eerder schreef. Een filmscenario, zegt hij, is als de partituur van een muziekstuk. „De noten, de letters, staan er. Het is aan de dirigent en de musici, de regisseur en de acteurs, om het tot leven te brengen.” Hij lijkt even na te denken over de volgende metafoor. „Een film wordt drie keer geboren. Als scenario, als scène, en in de finale montage definitief.” Allemaal zelf bedacht?, vraag ik. Hij grijnst. „Mijn motto is: say something perfect, something I can steal.”

Prima timing, vindt hij: een relatiedrama uitzenden op Valentijnsdag. „De gelukkige stelletjes zijn toch samen uit eten, de ongelukkigen in de liefde zullen in de film hun gelijk bevestigd zien.” En wat is dat gelijk dan, vraag ik. Dat ware liefde niet bestaat? Althans niet voor heel lang? Ik dacht dat hij zijn relatiepessimisme nou juist een beetje had bijgesteld. Hij knikt, aarzelend. „Ik word ouder. Ik voel me gelukkiger dan tien jaar geleden.” En dat komt door? „Ik weet het niet. Je wordt je bewuster van jezelf, van je lichaam. Ik ben zekerder dan toen ik, zeg, 23 was. Terwijl ik sindsdien toch geen noemenswaardige verbeteringen heb ondergaan. Mijn lichaam zeker niet.” Ouder worden helpt dus? Hij beweert, boud: „Oudere mensen zijn gelukkiger.” O ja? „Ja. Als je 50 bent, heb je of bereikt wat je wilde bereiken, of je hebt je erbij neergelegd dat de dingen zijn zoals ze zijn.”

Hugo, de twijfelende kunstenaar uit de film is ouder dan Huff en zou, als hij gelijk heeft, zekerder moeten zijn. „Dat is hij ook. Maar hij is bang een versie van zichzelf te worden die hem teleurstelt.” Hugo heeft een kille band met zijn ouders, vooral met zijn vader. „Hij durft er niet op te vertrouwen dat hij als man, als echtgenoot, als vader anders zal zijn.” En dus gaat hij „commitment” uit de weg. Stom? „Ja, stom. Hij kiest voor consolidatie van zijn geluk, maar verspeelt daarmee de kans dat het geluk groeit.”

Huff ziet dat veel dertigers zich weer conformeren aan het monogame, heteroseksuele huwelijk. „Na alle man-man en vrouw-vrouw of vrijeseksrelaties is dat weer de norm.” De eerste baby’s in zijn omgeving worden geboren. Hij is zelfs peetvader van een jongetje en het goede nieuws is dat hij niet hyperventileerde toen het kind in zijn armen werd gelegd. Een goede vriend van hem, hij woont in Drenthe, heeft er zelfs drie. Gekregen met de vrouw die hij heeft ontmoet met speeddaten. Huff is te „dom-romantisch” voor internet- of speeddaten. „Ik vind dat liefde je leven in moet lopen.”

Een relatie, zegt hij, vergt offers. Zoals het offer van het ouderschap? „Bijvoorbeeld. Ik ken ook veel mensen die wel een kind nemen, maar niet meer dan één. Anders moeten ze hun leven te drastisch aanpassen.” Een kind is een handtas, die kan overal mee naar toe? „Ik vind het een egoïstische keuze. Je besluit daarmee dat je kind alleen opgroeit.” Dus? „Het is wetenschappelijk aangetoond dat het geluksgevoel met het krijgen van kinderen daalt. Maar je krijgt er ook een dimensie bij. Op je zestigste ben je weer gelukkiger dan de leeftijdgenoten zonder kleinkinderen die vier keer per week golfen.” En hoe voorkom je dat een van de ouders na een jaar of vijf de brui geeft aan het samenzijn? Hij haalt zijn schouders op: „Een relatie is niet alleen maar leuk, je moet dienstbaar zijn aan iets dat groter is dan jezelf.”

Voor iemand die zelf net vier jaar vrijgezel is geweest, weet hij wel erg goed hoe alles zit. Tussen zijn 19de en 26ste had hij een relatie met een vijf jaar oudere vrouw. Dat ging uit toen zij naar „the next level” wilde, maar hij niet. Hij heeft net weer een paar weken kennis aan een meisje. „Zul je altijd zien. Net nu ik op het punt sta een tijdje in New York te gaan wonen en ik totaal niet bezig ben met de liefde, ontmoet ik háár.” Hij heeft haar ontmoet op een literaire avond, zij is zangeres. Hij is niet van plan zijn vertrekplannen te wijzigen. „Zoiets ga je elkaar verwijten.”

Hij gaat in New York doen wat hij in Amsterdam ook doet: boeken en scenario’s schrijven. Zijn beste vriend werkt en woont daar, Huff zal de eerste weken bij hem op de bank doorbrengen.

’t Gooi

Philip Huff heeft zijn bord pasta met paddenstoelen leeg. Ik vraag waar zijn aanvankelijke aversie tegen trouwen en kinderen vandaan kwam. Geleden ellende in het verleden? „Ik ben opgegroeid in ’t Gooi”, zegt hij alsof dat alles verklaart. Opgevoed door welgestelde ouders van de babyboomgeneratie. „Mijn moeder was eerder getrouwd geweest. Ze had al een dochter. Haar eerste man overleed aan een hersentumor. Ze was nog geen 30.” Ze trouwde zijn vader, oud-diplomaat en ondernemer. Met hem kreeg ze twee zoons. En heel veel ruzie. „Ik herinner me de dag dat ze besloten te scheiden. Een vriend van de familie gaf advies. Deel al het geld door tweeën, zei hij. Zet een kruisje op de spullen die je wil meenemen. En laat elkaar daarna met rust. Maar ze luisterden niet. Wat volgde was een jaren durende vechtscheiding.” Hij neemt het ze kwalijk, dat ze de keuze hadden hun huwelijk min of meer netjes af te hechten, maar ervoor kozen de kinderen de dupe te laten worden van hun breuk. Een typisch babyboomhuwelijk, noemt hij het. „De eerste lichting volwassenen die vooral bezig is met het project-ik.” Ouders van vrienden van hem zijn soms al aan hun tweede of derde huwelijk bezig, met bijbehorende kinderen. „Die mannen zeggen dat ze wel kinderen moeten verwekken, anders blijft hun jongere vriendin niet.” Maar het is wél een offer, zeg ik. „Maar een offer uit angst voor eenzaamheid.”

Zijn vader is ook hertrouwd. „Met een vrouw van zijn eigen leeftijd. Dat moet ik hem nageven.” Van zijn vader heeft hij zijn goede manieren, zijn omgangsvormen én zijn dubbele achternaam. Huff gebruikt, tot zijn vaders verdriet, een afkorting van zijn echte naam. Zijn jongere broer spreekt Huff elke dag, zijn zes jaar oudere zus om de dag. Zijn ouders hooguit een paar keer per jaar. Herkennen zij zich in de moeizame ouder-kindrelaties in zijn werk? „Na mijn eerste roman zei mijn moeder: hoe durf je al die narigheid over mij te schrijven. Mijn vader vond het een prima boek. Een roman, fictie, dus die zak van een vader in het boek had niet met hem te maken. Hun reacties zeggen iets over hun beider literaire opvatting.”

Van vrijgezel en kindmijder naar peetvader met vriendin, is dat niet een te grote stap? Huff trekt denkrimpels in zijn voorhoofd. Wat volgt klinkt ingestudeerd. „Er komt een moment dat je je als zoon realiseert dat je zelf de man moet zijn van wie je hoopte dat je vader het was.”

Haha, lacht hij, en weer in zijn eigen woorden: „Ik heb gezien hoe het niet moet, dat ga ik beter doen. Het cynische is, dat dacht mijn vader natuurlijk ook.”