Ik bied bed, bad, brood, bijstand en bemoediging

Soms vraagt iemand aan het begin van een gesprek: „Hoe gaan we het aanpakken? Zal ik maar ergens beginnen met vertellen?” Mijn antwoord: „Prima, we ‘laten het stromen’, vragen komen vanzelf wel.” Dit keer verschijnen meteen twee A4’tjes op tafel, waarboven ‘Notitie NRC-gesprek’ staat. Ze zegt, met een glimlach: „Ach ja, control freak. De uitnodiging voor dit gesprek overviel me. Ik wil graag houvast hebben aan m’n eigen verhaal. Mag dat?” Dat mag. De tekst hieronder is ontleend aan het gesprek en de notitie.

„Een jaar of tien geleden ontving ik geld uit een bedrijf dat we hadden verkocht. Ik dacht: dat ga ik bestemmen voor jonge mensen die wel wat extra’s kunnen gebruiken: een cursus, een bijdrage aan een studie in het buitenland, zoiets.

„Educatie, ontwikkeling – daar draait het om. Ieder kind heeft bescherming nodig, en onderwijs. Een jong mens wil werken, vrij zijn, een gezin stichten. Dat is de praktische vertaling van de Universele Rechten van de Mens. Maar er zijn nu eenmaal jongeren die tussen wal en schip vallen, die hun leven niet zo makkelijk kunnen opbouwen.

„In het begin had ik hierover niet zulke omlijnde gedachten. Via via kwam een Afrikaanse jongen op mijn pad die geld nodig had voor de tandarts. Die rekening wilde ik wel betalen. Ik raakte in gesprek met hem, en met z’n vrienden, en zo kwam ik in contact met jongens die zeiden: ‘Ik ben uitgeprocedeerd, kunt u mij helpen?’

„Een hele nieuwe wereld ging voor mij open. Zeg maar: de benedenwereld. Nee, niet de onderwereld, want uitgeprocedeerden stelen niet. Ze kijken wel uit, dan lopen ze het risico dat ze worden opgepakt.

„Ik help nu overwegend ex-vluchtelingen die uitgeprocedeerd zijn maar niet naar hun thuisland terug kunnen. Ik bied deze jongens bed, bad en brood, plus bijstand en bemoediging. Zo blijven zij weliswaar in leven, maar een menswaardig leven is dat nog niet. Daarvoor moet je ook de B van burgerschap aan dit rijtje kunnen toevoegen, kortom: van een echt bestaan. Maar in het bureaucratische Nederland besta je pas als mens wanneer je een burgerservicenummer, hebt.

„Het probleem is: zij hebben geen énkel document. Daardoor accepteert hun thuisland niet dat ze terugkeren. En Nederlandse papieren krijgen ze niet, want officieel mogen ze hier niet zijn. De Fransen noemen illegalen dan ook ‘les sans-papiers’.

„Zo zwerven honderden, wie weet duizenden mensen rond in de illegaliteit, van het ene matras naar het andere. Als ervaringsdeskundige zeg ik: er is maar één oplossing, een tweede ‘generaal pardon’. Het alternatief is: wegkijken van het probleem en mensen als ontheemden laten dolen.

„Als individu kan ik de grote migratieproblemen niet oplossen, maar wel kan ik iets voor mensen betekenen in contacten één-op-één. Gewoon, door met elkaar in gesprek te gaan. Zoeken naar mogelijkheden, kijken of we – stap voor stap – samen toch iets van een toekomstplan kunnen maken. Ik zie hoe mensen opknappen van alleen al zo’n gesprek, van iemand die naar hen luistert. Hoe trots ze zijn als ze iets mogen leren: een cursus elektriciteit, loodgieten, fiets repareren, computerles, autorijles.

„Pas een jaar of zeven geleden heb ik een stichting opgericht om fondsen te kunnen werven. Geld van donateurs komt wel, of niet – dat mag iedereen zelf beslissen. Gelukkig heb ik een aantal trouwe sympathisanten die me steunen.

„Als je bij fondsen aanklopt, moet je alles heel precies geregeld hebben, wat ik op zich goed begrijp, maar de energie die je in die aanvragen moet steken, staat niet in verhouding tot de opbrengst. Als ik zou zeggen: ‘ik heb een stichting die zich inzet voor de terugkeer van illegalen, ik krijg een salaris van die stichting en hier is mijn projectplan’, ja, dan voldoe je aan allerlei subsidieregels. Maar zo wil ik niet werken. Ik ben vrijwilliger en onafhankelijk.

„Ik werk zonder een politieke agenda: ik wil gewoon mensen helpen hun leven op te bouwen, hoe en waar dan ook. Gevestigde terugkeerorganisaties worden op grond van hun resultaten gesubsidieerd. De dienstdoende hulpverlener heeft er dus, hoe goedwillend die ook mag zijn, belang bij om iemand het land uit te helpen.

„Negen van de ruim honderd mensen die ik om allerlei redenen heb begeleid, zijn naar hun land teruggekeerd. Sommigen hebben we geld kunnen meegeven, om een auto te kopen, als taxi of voor transportwerk, of een container met landbouwmateriaal, of een startkapitaal.

„Ze heten Tehly, Hassan, Balde, Osama, Alasana, Mamadou – terug naar Sierra Leone, Guinée, Soedan. Met allemaal heb ik regelmatig contact. Ik kan niet zeggen dat het goed met hen gaat. Ze leven in tribale samenlevingen, hun stam delft vaak sowieso het onderspit in hun land; dat was ook de reden van hun vlucht. Ebola heeft bovendien de West-Afrikaanse economie nog verder ontwricht.

„Steven, Adhemar en Karla zijn terug in Zuid-Amerika. Voor hen is er hoop, maar ook zij hebben ’t zwaar. Wonen in een veilige buurt kost hen al de helft van hun maandinkomen.”

Haar notitie is uitvoeriger. Ze schrijft over de problemen van haar ‘inburgeraars’, mensen die wel in Nederland kunnen blijven. Over taalproblemen, achterstand in het onderwijs van hun kinderen, het oerwoud vol formulieren en onbeantwoorde telefoontjes dat Nederland voor hen blijft.

Over haar drijfveren schrijft ze amper. Alleen: „In je ‘derde helft’ wil je iets doorgeven van wat je in je eigen leven hebt meegekregen. Een kwestie van kringloop.” Valt hierover meer te zeggen? „Ach nee, alles wat ik er verder over kan zeggen, klinkt meteen zo clichématig. De één doet zus, de ander zo – dit is gewoon mijn manier.”