Geef jonge moslims moslimles

Bij veel jonge moslims schort het aan kennis over de breedheid van de islam. Dat is ook een van de redenen waarom zij bevattelijker zijn voor radicalisering, meent Maurits Berger.

Wat kunnen wij tegenover de aantrekkingskracht van de radicale islam stellen? Het is toch opmerkelijk dat een aantal islamitische jongeren in Nederland kiest voor een hardvochtige islam? Er moet toch een beter alternatief zijn voor sektarisch isolationisme of de heilstaat van ISIS? Maar welk? Drie opties bieden zich aan.

1 Het kwaad schuilt in de islam zelf, dus moet die integraal worden ‘bestreden’. Dit is de benadering van de PVV. De partij pleit dan ook voor een verbod op de bouw van moskeeën, op het dragen van hoofddoeken en boerka’s en voor sluiting van islamitische scholen.

Dat is een serieuze inperking van de vrijheid van godsdienst, al noemt de PVV de islam halsstarrig een ‘ideologie’, alsof het daarmee de toepassing van die fundamentele vrijheid kan ontlopen. Om aan deze inperking te voldoen, moet Nederland wel diverse mensenrechtenverdragen opzeggen. Dat is constitutioneel gezien niet eenvoudig, en zal Nederland bovendien reduceren tot het Noord-Korea van de Westerse wereld.

Zulke maatregelen hebben ook geen effect. Nederland heeft een lange geschiedenis in het verbieden van uiterlijk vertoon van katholieke en joodse religie, maar het effect was nihil – of zelfs tegengesteld. Dat zal met de islam niet veel anders zijn.

En alleen maar heel hard roepen hoe verschrikkelijk die islam is, werkt ook niet, mogen we na meer dan tien jaar vaststellen. De ‘islamisering’ lijkt daardoor eerder toe- dan af te nemen.

2 Bied een beter alternatief voor het verhaal van de islam, de tweede optie. In veiligheidsjargon wordt dat counter narrative genoemd. In die kringen denkt men koortsachtig na over een beeld dat de overheid kan scheppen van een Nederlandse samenleving om zo jonge moslims ervan te weerhouden verder af te dwalen in de krochten van de onverzoenlijke varianten van de islam.

Al sinds de moord op Theo van Gogh, in 2004, wordt de ‘rechtsstaat’ opgevoerd als dat wat ons allen bindt. Dat zou meteen ook het Nederlandse weerwoord moeten zijn op de aantrekkingskracht van de radicale islam. Sinds de zomer van 2014 is dit beeld met nieuw elan uit de kast gehaald. Ten onrechte.

Veel moslims hebben namelijk een probleem met de rechtsstaat. Niet omdat ze er tegen zijn, integendeel. Onderzoek heeft uitgewezen dat moslims in Europa de rechtsstaat meer omarmen dan autochtonen. Logisch, want die rechtsstaat geeft hun de mogelijkheid te zijn wie ze willen zijn.

Hun probleem met de rechtsstaat is juist dat ze menen ervan te worden uitgesloten. De rechtsstaat staat voor wat ons bindt, zoals vrijheid en gelijkheid, maar veel moslims ervaren dat er met twee maten wordt gemeten: de vrijheid van meningsuiting geldt voor iedereen maar niet voor hen, net zo min als de vrijheid van religie en het gelijkheidsbeginsel.

Moslims nemen iets anders waar. Dat een dominee zich mag uitspreken tegen homoseksualiteit, maar een imam haalt er het nieuws mee, bijvoorbeeld. Dat sollicitaties anders lopen als je een Arabische achternaam hebt. Dat denigrerende en beledigende uitspraken over islam en moslims zijn toegestaan, maar wee je gebeente als je hetzelfde zegt over Joden. Het is een terugkerend thema in gesprekken, iedere keer weer, en een bron van wrok en verbittering.

Het gaat er niet om of deze vergelijkingen terecht zijn of niet – ze worden sterk beleefd door moslims. Dáár zit de bron van radicalisering. Daarom zeggen westerse jihadisten bij IS ook regelmatig dat ze blij zijn niet meer in vernedering en onderdrukking te hoeven leven.

De rechtsstaat werkt dus niet als ‘tegenverhaal’ voor de islam. Maar wat dan wel? Waarden als ‘democratie’ en ‘vrijheid’ klinken prachtig, maar zijn te abstract om te dienen als slogans die mensen in vervoering brengen. En dat is frustrerend, want het bevestigt slechts de zwakte van het Westerse verhaal. De oplossing wordt dan vaak gevonden in harde taal waarin men ‘staat voor westerse waarden’ en waarin men met vechtlust spreekt over grenzen die niet mogen worden overschreden.

Het beeld van een fantastische samenleving waar iedereen wil wonen, inclusief de moslim, wordt dan vervangen door het beeld van een bastion dat we met hand en tand verdedigen. Daarmee zijn we terug bij wij-zij, dat vaak toch weer langs autochtone-allochtone scheidslijnen loopt, met extra aandacht voor de islam.

3 De islam moet het uitgangspunt vormen van het antwoord op de radicale islam. De islam moet niet worden uitgesloten, zoals de eerste twee opties voorstellen, maar ingesloten. Deze aanpak maakt de meeste kans. Immers, als de islam zo belangrijk is voor zoveel moslims, is het onzinnig om te doen alsof hij niet bestaat.

Religie laat zich onderdrukken noch vervangen door counter narratives. Dat hebben we inmiddels toch wel geleerd van onze geschiedenis. Zelfs in Frankrijk, waar de revolutie heeft geprobeerd de religie met wortel en tak uit te roeien, is de katholieke kerk triomferend teruggekeerd. En sinds kort wordt zij zelfs ingehaald door het succes van de evangelische bewegingen.

Dus laten we de feiten onder ogen zien, en daarmee werken. De meeste – niet alle! – moslimjongeren in Nederland zijn, meer nog dan hun ouders, religieus ingesteld. En dus luidt de vraag: Welke visies biedt de islam op een samenleving die past in de Nederlandse context? Als islam inderdaad een religie is van rechtvaardigheid, vrede en tolerantie, zoals moslims keer op keer benadrukken, hoe vertaalt dat zich naar een Nederlandse samenleving?

En de grote, overkoepelende vraag moet zijn: Welke ruimte biedt de islam tot breed nadenken, welke vrijheid biedt hij om een goed moslim te zijn? De islam heeft immers een lange geschiedenis op dit gebied, met een breed palet aan denkers en praktijken.

Deze benadering stelt democratie niet tegenover IS, maar gaat in op wat een ‘islamitische staat’ kan betekenen. En dan zal blijken dat beginselen als democratie en rechtsstaat wel degelijk onderdeel uitmaken van het islamitisch gedachtengoed.

Deze benadering stelt de Westerse vrouw niet tegenover de islamitische vrouw maar laat juist zien dat er een uitgebreide discussie gaande is in de islamitische theologie die de gelijkheid van man en vrouw sterk verdedigt. Deze benadering kan laten zien dat noties als welvaartstaat, vrijheid , duurzaamheid, gelijkheid een wezenlijk onderdeel zijn van het islamitisch denken.

Natuurlijk zullen allerlei orthodoxe types het tegendeel beweren. Maar zij vertegenwoordigen slechts één van de vele stromingen die de islam rijk is. Het verhaal dat daar tegenover gesteld moet worden, is dat van een rijke, tolerante en minder bekrompen islam.

De geschiedenis en leerstellingen van de islam biedt ook van alles dat onacceptabel is voor een Nederlandse samenleving. Maar zoals christenen en joden met de duistere kanten van hun geloof hebben leren omgaan, zullen moslims dat ook moeten.

Hiermee leggen we echter meteen de vinger op de gevoelige plek: bij veel jonge moslims in Nederland schort het aan kennis over de breedheid van hun islam. Zij verdiepen zich vooral in de islam als theologische leerstellingen, niet als een levende religie. Ze hebben geen of nauwelijks kennis van de rijke geschiedenis van de islam, de vele denkers, de perioden van Verlichting en de perioden van fundamentalistisch wantrouwen, de huidige politiek, het verschil tussen Indonesië en Marokko. Dat is ook een van de redenen waarom zij bevattelijker zijn voor radicalisering.

Hier is dus een grote rol weg gelegd voor onderwijs. Maar wie gaat deze kennis verspreiden? Zeker niet de Nederlandse overheid, die gebonden is aan de scheiding van kerk en staat. De bal ligt bij educatieve instellingen. Enkele islamitische organisaties hebben al het initiatief genomen voor deze bredere insteek, maar zij betrekken de kennis vaak van buiten, in de vorm van lezingen.

Een iets meer gestructureerde aanpak is nodig. De imamopleidingen in Leiden en Amsterdam waren een poging, maar zijn fout gelopen. De les die we daaruit kunnen trekken, is dat de vele islamitische organisaties in Nederland zelf willen kunnen bepalen wat de juiste islamitische leerstellingen zijn. En terecht.

Maar diezelfde organisaties zien ook in dat het hun vaak ontbreekt aan kennis op gebieden als geschiedenis, islamitisch recht, politieke islam, islamitische filosofie en ethiek. Aan Universiteit Leiden ontwikkelen we momenteel op die terreinen een islamprogramma dat ook buiten de universiteit kan worden gevolgd. Enkele islamitische organisaties hebben al interesse getoond. In Engeland speelt een soortgelijke ontwikkeling in de relatie tussen universiteiten en islamitische organisaties.

Natuurlijk zijn een paar geschiedenislessen niet de oplossing voor radicalisering. Maar als islam inderdaad zo belangrijk is voor veel moslims in Nederland, dan zullen zij binnen die islam de ruimte moeten vinden om zich in Nederland ook werkelijk ‘thuis’ voelen.

Deze aanpak vergt een lange adem. Maar op den duur kan dan eindelijk het antwoord worden geven op de twee prangende vragen die onze samenleving in een houdgreep houden: aan de zijde van de moslims is dat de vraag ‘mogen we hier wel zijn?’. En aan de zijde van de overige Nederlanders is dat de vraag ‘willen jullie hier wel zijn?’

Het antwoord op die beide vragen kan alleen ‘ja’ luiden als de islam wordt meegenomen, als moslims het gevoel wordt gegeven dat zij een islamitische invulling aan hun Nederlanderschap kunnen geven, en als de rest van Nederland het gevoel wordt gegeven dat die invulling weliswaar anders kan uitpakken dan zij gewoon zijn, maar evengoed past in Nederland.