Een vrouw moet leren pronken

Ondanks het grote aantal vrouwelijke studenten, loopt de wetenschappelijke top nog steeds erg achter. Wat helpt: ‘opscheppen’ over eigen succes.

Chirurg en onderzoeker bij Erasmus MC Türkan Terkivatan: „Toen ik begon aan mijn opleiding Chirurgie kreeg ik letterlijk de vraag of ik er als vrouw wel verstandig aan deed voor zo’n zwaar vak te kiezen.” Foto Bob van der Vlist

‘Dat Nobelprijswinnaar Marie Curie in 1906 als vrouw hoogleraar kon worden dankte zij aan een tragische gebeurtenis”, vertelt biografe Greta Noordenbos. „Haar echtgenoot Pierre Curie verongelukte en omdat zij altijd samen onderzoek hadden gedaan, zagen zijn erfgenamen haar als de enige mogelijke opvolger voor zijn leerstoel.” Tot die tijd heerste het idee dat zij vooral zijn assistente was. Na zijn dood werd zij eindelijk echt serieus genomen als zelfstandig wetenschapper en pionier op het gebied van radioactiviteit.

Vrouwen worden al lang niet meer gezien als mensen met een ‘geringer brein’, sterker nog: onder studenten zijn vrouwen veelal in de meerderheid. Maar bij elke trede op de wetenschappelijke ladder wordt dat percentage kleiner: van de hoogleraren in Nederland is maar 16 procent vrouw. In 2010 stelde de Europese Unie een doelstelling van 25 procent vrouwen aan de wetenschappelijke top. Maatregelen, zoals meer vrouwen in commissies en een minimaal aantal vrouwen op de longlist voor benoemingen, hebben nauwelijks effect op de statistieken. Hoe kan dat toch?

„We slagen er maar niet in om Nederlandse vrouwen te interesseren voor de hoogste posities”, zegt Hans Clevers (57), President van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en genetica-onderzoeker. „Zodra het om een functie als groepsleider gaat haken vrouwen af.” De Nederlandse cultuur legt volgens Clevers een enorme druk op vrouwen: „Moeders worden nog steeds als egoïstisch bestempeld als ze fulltime gaan werken.”

Verwachtingspatronen

Het is niet alleen de druk in de maatschappij, zegt Naomi Ellemers (51), Hoogleraar Sociale en Organisatiepsychologie aan de Universiteit Leiden. Ook op de universiteiten zelf gaat er het een en ander mis. „Werkgevers in de wetenschap gaan er te snel van uit dat vrouwen die hoge positie waarschijnlijk niet ambiëren, waardoor vrouwen zich minder gesteund voelen.” Juist in de wetenschap heerst het beeld dat je op kwaliteit wordt beoordeeld, maar er zijn nog veel (verborgen) vooroordelen. Chirurg en onderzoeker bij Erasmus MC Türkan Terkivatan (42): „Toen ik begon aan mijn opleiding chirurgie kreeg ik letterlijk de vraag of ik er als vrouw wel verstandig aan deed voor zo’n zwaar vak te kiezen. Inmiddels krijg ik juist ook veel positieve reacties.”

Typische mannelijke en vrouwelijke eigenschappen, veelal aangeleerd door jarenlange opvoeding, spelen volgens Ellemers ook een rol: „Selectieprocedures gaan ervan uit dat kandidaten zichzelf melden. Mannen gaan solliciteren als ze aan een deel van de eisen voldoen; vrouwen denken eerder: ik kan nog niet alles dus ik doe het niet.” Het zou goed zijn als werkgevers actiever zouden rekruteren vindt ze.

Op verschillende universiteiten zijn er programma’s die vrouwen helpen hogerop te komen. Zo heeft het Erasmus MC in Rotterdam het ‘Female Career Development Programma’. Een van de deelnemers is Hanneke Takkenberg (48), hoogleraar Medische Besliskunde. Ze vertelt hoe ze zich dankzij het programma competitiever leerde gedragen. „Laatst heb ik letterlijk met mijn vuist op tafel geslagen bij mijn leidinggevende.” ‘ Jij hebt zeker een cursus gevolgd’, reageerde hij grappend. Maar het ijs was gebroken en ze kreeg voor elkaar wat ze wilde.

Dat een baan als hoogleraar niet te combineren is met een gezin vindt Takkenberg, zelf moeder van vier kinderen, een grote mythe. „Wel zou het goed zijn als de kwantiteit van publicaties een minder grote rol zou spelen.” Tijdens zwangerschappen publiceren vrouwen gemiddeld misschien minder, maar volgens Takkenberg zegt dat op de lange termijn niets over wetenschappelijke excellentie. Ook Mirjam Pijnappels (41), Universitair hoofddocent Bewegingswetenschappen aan de VU vindt haar werk best te combineren met twee jonge kinderen. Lachend: „Het begeleiden van promovendi en kinderen is eigenlijk precies hetzelfde: de ene keer moet je normatief zijn en dan juist weer loslaten.” Ze is fysiek misschien minder op de universiteit aanwezig dan haar mannelijke collega’s omdat ze ’s ochtends haar kinderen naar school brengt en ’s middags weer ophaalt. „Maar als de kinderen ’s avonds slapen gaat de laptop vaak open.”

Trucs om op te vallen

Volgens Pijnappels kunnen vrouwen er zelf veel aan doen om de top te bereiken. „Tijdens een cursus vrouwelijk academisch leiderschap leerde ik mannelijke spelregels en dat was echt een eye-opener”, vertelt ze. „Vrouwen denken: als ik maar hard genoeg werk dan kom ik wel bovendrijven en wordt mij vanzelf een hogere positie aangeboden. Maar zo werkt het helemaal niet, het is ook heel belangrijk om ambities uit te spreken en af en toe te zeggen; kijk wat ik gedaan heb.” Pijnappels denkt dat vrouwen zich beter kunnen profileren: „Het begint met kleine dingen; laatst vertelde ik collega’s bij het koffieapparaat bijvoorbeeld dat ik een prijs had gewonnen.” Eigenlijk niets voor haar om zo met zichzelf te pronken, maar ze merkt dat dat een manier is om gezien te worden als je meer wilt bereiken. „Ik wil dat mijn onderzoek invloed heeft. Je wordt nou eenmaal eerder uitgenodigd door collega’s of bij beleidsmakers in Den Haag als je jezelf en je successen zichtbaar maakt.”

„Deze mannelijke spelregels en monocultuur leiden nog te vaak tot uitsluiting van vrouwen en laat aan vrouwen weinig andere keuze dan zich aan te passen”, weet Marieke van den Brink (36), die promoveerde op hoogleraarbenoemingen. Maar uit studies blijkt dat vrouwen die stereotype mannengedrag vertonen zoals zelfverzekerdheid en krachtig optreden niet per se hoger gewaardeerd werden en soms juist afgeserveerd worden. Niet alleen door mannen maar juist ook door hun vrouwelijke collega’s. Mirjam Pijnappels: „Een vrouw die zich uitspreekt is al gauw arrogant, een man heeft visie. Ik moet eerlijk bekennen dat ik mijzelf ook wel eens betrap op die gedachte.” Van den Brink: „Een structurele oplossing moet dus gezocht worden in het veranderen van deze mannelijke cultuur, niet het aanmoedigen van vrouwen om zich hieraan te conformeren.”

Van den Brink krijgt bijval uit mannelijke hoek: „Die machocultuur vind ik juist vreselijk en ik heb genoeg mannelijke collega’s die het met me eens zijn”, zegt Peter-Paul Verbeek (44), hoogleraar Filosofie van Mens en Techniek aan de Universiteit Twente. Hij pleit voor meer mannelijke rolmodellen die zich bescheiden opstellen en werk en gezin combineren. „Het is toch merkwaardig dat zorgtaken nog steeds alleen aan vrouwen worden gekoppeld en dat het voor een vrouw alleen mogelijk zou zijn voor haar carrière te gaan als kinderen fulltime naar de crèche gaan?” De wetenschap is volgens hem bij uitstek een plek om werk en gezin te combineren. Hij werkt vier dagen op de universiteit en deelt de rest van zijn vaak 60-urige werkweek flexibel in zodat hij ook de zorg voor zijn kinderen kan dragen. Deze levensstijl dankt hij aan zijn oud-hoogleraar Hans Achterhuis: „Toen mijn eerste kind geboren werd zei hij tegen me: als je fulltime blijft werken ben je geen knip voor de neus waard. Daarmee zette hij voor mij de norm.”