Een verte voorbij de ogen

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

In de fraaie inleiding bij haar bloemlezing van de poëzie van Rutger Kopland (1934-2012) schrijft Marjoleine de Vos ‘dat je in deze poëzie altijd terecht kunt’, hoe je ook verandert. Dat klopt. Gedichten van Kopland die me vroeger niet speciaal zijn opgevallen, blijken ineens diepe indruk te maken. Zoals de strofe over de late Rembrandt in het gedicht ‘Tijd’: ‘Zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten/ van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat/ een verte voorbij onze ogen’.

‘Jonge sla’, misschien wel Koplands bekendste gedicht, dat in iedere poëziebloemlezing te vinden is, ontbreekt. Maar gelukkig is er voor het weergaloze ‘Moeder en zoon’ wel plaats ingeruimd.

Met Hoe zou het zijn om thuis te zijn [1] besluit uitgeverij Van Oorschot de 11-delige Turingreeks, waarin steeds een dichter een bekende voorganger bloemleest. Eerder verschenen in deze prachtreeks bundels van onder anderen Chris van Geel, Jan Hanlo, J.H. Leopold, Hans Lodeizen, M. Vasalis en Simon Vestdijk. Begerenswaardig!

De historische actiefilm Michiel de Ruyter is, zoals alles wat ooit over de vlootvoogd en zeeheld is geschreven, gezongen of gespeeld, gebaseerd op het in 1687 verschenen oerverhaal over zijn leven.

Het was op verzoek van de kinderen van de admiraal geschreven door de remonstrantse dominee Gerard Brandt, grootvader van alle Nederlandse biografen. Ter gelegenheid van het 400ste geboortejaar van De Ruyter in 2007 brachten Vibeke Roeper en Remmelt Daalder een verkorte bewerking uit (ongeveer een vijfde van de oorspronkelijke 1100 pagina’s, hertaald in modern Nederlands): Het leven van Michiel de Ruyter [2]. Met het oog op de film is daar nu een goedkope herdruk van verschenen.

„Levendig, een enkele keer plechtstatig, maar altijd onderhoudend”, oordeelde Roelof van Gelder in deze krant over deze bewerking die het werk van Brandt toegankelijk maakt voor een breed hedendaags publiek. En ook: „Zonder Gerard Brandt geen Michiel de Ruyter.” Waarvan acte.

Ook minder beroemde helden dan De Ruyter verdienen een biografie. In Haast om te sterven [3] doet Doeko Bosscher nauwgezet verslag van het leven van Fritz Conijn (1923-1944) die zijn verzet tegen de Duitse bezetter met zijn leven heeft moeten bekopen.

Geheel onbekend is het verzetswerk van Fritz Conijn niet – naar hem is onder andere in Alkmaar een straat genoemd en hij werd postuum onderscheiden met het verzetskruis – maar zijn naam komt bijvoorbeeld niet voor in het standaardwerk van Loe de Jong over Nederland in de Tweede Wereldoorlog.

De op 21-jarige leeftijd gefusilleerde Conijn was afkomstig uit een katholiek ondernemersgezin in Alkmaar en gaf mede leiding aan de Noord-Hollandse LO/KP, de knokploegen die voortkwamen uit de hulp aan onderduikers. Bosscher gaat de morele dilemma’s in het verzet, zoals de verantwoordelijkheid voor represailles, niet uit de weg, evenmin als de naoorlogse kwaadsprekerij over verraad en de zucht naar avontuur als drijfveer voor riskante acties.

De auteur is een na de oorlog geboren familielid van zijn hoofdpersoon, maar tegelijk vakhistoricus genoeg om van deze biografie van een held geen eendimensionaal heldenverhaal te maken.

Socioloog Dick Pels heeft niets tegen Michiel de Ruyter, maar alles tegen de negentiende-eeuwse cultus van de Nederlandse natie die allerlei tradities en helden uitvond.

Pels stelt daar in het essay Van welk Europa houden wij? [4] tegenover dat we een nieuw pantheon van grote verhalen en grote mensen uit het verleden kunnen samenstellen om nationalisme en Kleinstaaterei terug te dringen.

Hartstochtelijk pleit hij voor Europese verheffing, Europese vrijheid, Europese rechten, Europese symbolen. De kern van zijn betoog is een aanval op populistische partijen die hij ‘nationaal-democratisch’ noemt omdat hun uitgangspunt is dat er geen sprake is van een Europees volk en een Europese cultuur.

De uitdaging is om tegenover deze nationaal-democratie een Europese democratie uit te vinden die niet langer gevangen zit in het Europa van de naties.” Maar hoe? Hij denkt aan grensoverschrijdende politieke partijen, Europabrede verkiezingen, referenda en burgerinitiatieven.

Maar ja, makkelijker gezegd dan gedaan. Want hoe krijgen we het voor elkaar dat we onszelf gaan zien als Nederlandse, Franse, Griekse of Roemeense Europeanen? „Daarvoor zijn enthousiaste Europatriotten nodig die de unieke Europese vrijheid en democratie schaamteloos durven te pluggen, ensceneren en belichamen.”