Econoom is geen loodgieter

Briefwisseling tussen hoogleraar economie Bas Jacobs en schrijver Arnon Grunberg.

Op 10 april 2013 leidde ik in de Balie een gesprek met twee economen en een financieel geograaf, met Koen Schoors, Ewald Engelen en jou. Engelen verweet economen dat ze net loodgieters waren. Er zijn verstoppingen in het systeem, de econoom wordt gebeld. De loodgieter zegt: „Mevrouw, geen doekjes in de wc gooien. Ik heb het u al zo vaak gezegd.” De loodgieter zegt niet: „U blijft doekjes in de wc gooien, ik ga u straffen.”

Jij vond de metafoor adequaat. Schoors had sympathie voor je pogingen de economische wetenschap als ideologievrij voor te stellen, maar vond de economische wetenschap toch niet echt te vergelijken met het ambacht van de loodgieter.

Is je stelling houdbaar, is de econoom een loodgieter?

Ten eerste is binnen jouw wetenschap behavorial economics een geaccepteerd veld. Economische acteurs, mensen dus, hebben de neiging, ook als het om transacties gaat, merkwaardig gedrag te vertonen. Iemand als Kahneman heeft deze tak van jouw wetenschap gepopulariseerd met Thinking, fast and slow.

Mijn voormalige economieleraar op het Vossius, Harro Maas, zei tijdens een diner jaren geleden: „Die Kahneman is flauw, hij laat met behulp van experimentjes zien dat mensen niet goed zijn in kansberekening en statistiek, dat ze tekort schieten in het verwerken van data. Dat wisten we al.”

Oké, de mens is een wezen dat data slordig verwerkt en op die manier de modellen van experts in de war schopt. Maar er is nog een andere reden waarom de econoom geen loodgieter kan zijn. De econoom bevindt zich in een geopolitiek krachtenveld. Hij mag misschien geloven geen normatieve uitspraken te doen, de machthebbers die hij dient doen dat wel.

Om een concreet voorbeeld te noemen: Griekenland. Ik vermoed dat 99,5 procent van de economen het er al jaren geleden over eens was wat moest worden gedaan om de crisis op te lossen, maar politiek gezien was een dergelijke oplossing niet haalbaar, dus werden compromissen gezocht die de situatie verergerden.

Oftewel, de loodgieter mag van de huisbaas de helft van zijn instrumenten niet gebruiken. Ik zou die loodgieter een gezinstherapeut noemen.

En zoals bijvoorbeeld Paul Krugman niet moe wordt te betogen, is de Griekse crisis vooral de crisis van instituten die Griekse staatsobligaties in hun bezit hebben, veelal instituten en bedrijven die zich buiten Griekenland bevinden. En van de Griekse banken zelf. Helaas, de bank die dreigt om te vallen is niet meer van de overheid te onderscheiden. Zie Ierland. Zie ABN Amro en ING. Mensen verwerken data slecht, maar desondanks hebben ze er een hekel aan hun geld te verliezen. Welk risico ze ook genomen hebben, verlies ervaren ze als onrechtvaardig.

Kun jij nog volhouden dat jij een monetaire en fiscale loodgieter bent die zich verre houdt van normatieve uitspraken? En is die loodgieter zelfs onder ideale omstandigheden geen ideoloog? Corrigeer me, maar ik vermoed dat je streeft naar volledige werkgelegenheid en optimale benutting van menselijk kapitaal. Dat streven is toch ideologisch bepaald?

Moeten studenten economie niet te horen krijgen: met behulp van wiskundige technieken gaan we jullie opleiden tot vakbekwame ideologen.

Hartelijke groet, Arnon

Loodgieter en armoedebestrijder

Koen Schoors maakte de opmerking van de avond in de Balie: „Als het huis onder water loopt, dan heb ik liever een loodgieter dan een filosoof”. De publieke econoom hóórt een maatschappelijke loodgieter te zijn. Zijn hoofdtaak is het realiseren van maatschappelijke doelen tegen de laagste maatschappelijke kosten.

Zo ken ik niemand, econoom of niet, die het aanjagen van een recessie een goed idee vindt. Nederland is door de Grote Recessie sinds 2008 ruwweg 60 miljard euro per jaar verloren, 10 procent van het nationaal inkomen, jaar in jaar uit. De maatschappelijke kosten van inkomensverlies, werkloosheid en faillissementen zouden kleiner zijn bij beter macro-economisch beleid. Jij vindt recessiebestrijding ‘ideologie’. Ik beschouw het als doelmatigheidskwestie: het minimaliseren van de economische schade van laag- en hoogconjunctuur.

Economen denken ook na over een rechtvaardige inkomensverdeling of het aanbod van overheidsvoorzieningen. Hoe moeten die tegen de laagste maatschappelijke kosten worden bereikt? Economen gaan niet over de vraag wat een rechtvaardige inkomensverdeling precies is of hoe groot de overheid zou moeten zijn. Dát is ideologie.

Ik bespeur regelmatig een romantisch verlangen naar de terugkeer van de oer-econoom, die naast econoom ook politicus, filosoof en theoloog is. Het verlangen naar de econoom-ideoloog is verleidelijk, maar kan gevaarlijk zijn. Politieke opvattingen worden meestal verpakt in economisch aandoende retoriek.

Een schitterend voorbeeld is Milton Friedman. Hij gebruikte zijn intellect en retorische gaven niet alleen om economische inzichten kristalhelder te maken, maar ook om zijn libertair-politieke propaganda te verspreiden. Friedman heeft als matig ideoloog een veel grotere invloed gehad dan als eminent academicus.

Je wekt de indruk dat het onderzoek van de gedragseconomen het einde betekent van de modelmatige economische benadering. Dat is een misvatting. Mensen vertonen niet zo maar wat ‘merkwaardig’ gedrag. Hun gedrag blijkt op systematische wijze af te wijken van de homo economicus en kan daarom uitstekend worden gemodelleerd.

Betekent de gedragseconomie dan het einde van de econoom-loodgieter? Integendeel. Mag ik je een iets mondainer voorbeeld geven dan de verstopte wc-pot? Mensen blijken hun oudedagsvoorziening niet goed zelf te kunnen organiseren. De vraag is dan: hoe bouwen mensen een adequaat pensioen op tegen de laagste maatschappelijke kosten? Economen gaan – wederom – niet over de vraag of de overheid mensen daartoe moet verplichten.

Je wijst, tenslotte, terecht op allerlei politieke beperkingen in het economische beleid. Maar hadden economen de afgelopen jaren ieder jaar braaf hun bezuinigingslijstjes moeten inleveren in Den Haag om het begrotingstekort onder de 3 procent te krijgen? Ik denk dat het verstandiger is als economen gewoon blijven nadenken over het beste economische beleid.

Politici weten, of komen daar vanzelf achter, dat slecht economisch beleid vroeger of later altijd leidt tot politiek falen. Zie de recente verkiezingen in Griekenland en de politieke onrust overal in Europa. Economisch beleid is in de praktijk nauwelijks begrensd door politieke macht, maar vooral door intellectuele armoede. De econoom is naast loodgieter ook armoedebestrijder.

Hartelijke groet, Bas