Die anti-partijen willen bescherming van de staat

Syriza en Podemos zijn geen radicale partijen, maar een signaal van burgers. Zij willen politici die in een staat geloven die de strijd met de markt aandurft en die streeft naar grotere sociale gelijkheid en een sterke middenklasse, aldus Pepijn Corduwener.

‘Regeringen kunnen veranderen, maar regels blijven regels.’ Zo becommentarieerde de Duitse minister van Financiën Wolfgang Schäuble de verkiezingswinst van het Griekse Syriza. De ‘regels’ zijn natuurlijk de afspraken tussen Griekenland en de trojka van ECB, IMF, Europese commissie. Daarin staat dat Griekenland neoliberale economische hervormingen moet doorvoeren in ruil voor steun. De vraag of Griekenland zich hieraan houdt, beheerst sinds de verkiezingen de markten en het publieke debat.

Hierdoor is een andere prangende kwestie op de achtergrond geraakt, namelijk: brengt Syriza de breed gedragen gelijkstelling tussen neoliberalisme en democratie aan het wankelen?

Het geloof dat neoliberalisme en democratie met elkaar verbonden zijn, vindt sinds de val van de Muur breed ingang. Het stoelt op drie gedachten. Ten eerste predikt het neoliberalisme een zo klein mogelijke staat, vanuit de gedachte dat een grote staatsmacht leidt tot dictatuur. Immers, een machtig staatsapparaat leidt tot bureaucratisering, verstikkende bestuurslagen en macht voor ambtenaren, niet voor politici. Bovendien, zo is het argument, leert de geschiedenis van de 20ste eeuw dat dictaturen altijd zijn gebouwd op machtige, totalitaire staten – kijk naar nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie.

Ten tweede wordt er een ideologisch verband verondersteld tussen het kapitalisme van de vrije markt en democratie. Dat verband ligt in de individuele vrijheid als zwaartepunt van ons democratisch denken en de overtuiging dat alleen een neoliberale economie deze vrijheid kan garanderen. Dit moeten we niet alleen opvatten als de vrijheid om te shoppen waar je wilt, maar ook om informatie te vergaren van verschillende politieke kanalen, vrij te zijn in je beroepskeuze en daarmee je levensinvulling, en zo jezelf volledig te kunnen ontwikkelen als individu.

Tot slot claimt het neoliberalisme dat de onzichtbare hand van de vrije markt altijd een eerlijk evenwicht tot stand zal brengen. Een balans tussen producenten en consumenten, maar ook tussen verschillende sociaal-economische en politieke belangen wordt via het mechanisme van vraag en aanbod bereikt. Politieke beslissingen worden daarmee democratisch gelegitimeerd, want regeren met het vertrouwen van de markt is immers in het algemeen belang.

De heterogene Europese bewegingen die nu in Zuid-Europa opkomen, dagen de gelijkstelling tussen neoliberalisme en democratie uit. In naam van het volk ageren zij tegen het steeds kleiner maken van de staat en pleiten zij voor overheidsinvesteringen en grotere sociale gelijkheid. Hoewel deze bewegingen al snel worden neergezet als ‘radicaal’, grijpen zij juist terug op een recent verleden in West-Europa, waarin de staat als hoeder en de markt als gevaar voor de democratie werd gezien.

In het Europa van na de Tweede Wereldoorlog was de gelijkstelling tussen kapitalisme en democratie decennialang geen uitgemaakte zaak. Het Duitse Wirtschaftswunder was gebouwd op een sociale markteconomie. Een zowel politiek als economisch project: het uitbreiden van sociale zekerheid was ook een middel tegen politieke radicalisering, en het bevorderen van sociale gelijkheid liet zien dat louter gelijke politieke rechten nog geen gelijke mogelijkheden voor burgers betekende. Willy Brandts beroemde slogan ‘Mehr Demokratie wagen’ was ook een pleidooi voor grotere beslissingsbevoegdheid voor werknemers in bedrijven - en daarmee een aantasting van de macht van aandeelhouders.

De dynamiek van de vrije markteconomie werd in naoorlogs Europa dus omarmd, maar tegelijk gewantrouwd en ingedamd, omdat deze een samenleving kon onderwerpen aan de wil van de markt in de plaats van die van het parlement, en tegelijk sociale ongelijkheid kon creëren die de middenklasse kon uithollen.

En dat is volgens bewegingen als Podemos en Syriza op grote schaal gebeurd. In West-Europa heeft de politiek haar eigen rol ten behoeve van de markt verkleind. Ze legitimeerde dit als democratisch, en ondertussen kalfde het vertrouwen van burgers in politici die hun eigen invloed marginaliseerden, af. Het resultaat is een sentiment van democratische crisis, veroorzaakt door een afnemend geloof in verandering door verkiezingen. Immers, ‘regeringen kunnen veranderen, maar regels blijven regels’.

Het is nog maar zeer de vraag of Syriza erin slaagt de voorwaarden van het hervormingsprogramma te veranderen of dat Podemos in Spanje werkelijk politiek doorbreekt. Maar de steun voor de opvattingen van deze partijen laat zien dat de gelijkstelling tussen neoliberalisme en democratie voor velen aan herziening toe is. Dat betekent niet dat wij de opvattingen van deze bewegingen over democratie als juist moeten zien. Maar we kunnen die wel beschouwen als een signaal van burgers. Zij willen politici die in een staat geloven die de strijd met de markt aandurft, en die het streven naar grotere sociale gelijkheid en een sterke middenklasse zien als een voorwaarde voor een gezonde democratie.

Zo gedacht kan de economische crisis, net als de val van de Muur, een keerpunt vormen in het denken over democratie.