De oude Rembrandt had het lef om vrij te zijn

In zijn latere schilderijen laat Rembrandt, in een ongekend losse stijl, vooral zijn sensitieve, menselijke kant zien. In het Rijksmuseum hangen bruiklenen uit de hele wereld.

Zelfportret met twee cirkels (1665-1669), Kenwood House, Londen

Wat voor man zou Rembrandt zijn geweest? Een betweter of een driftkop, een tedere minnaar, een zachtaardige vader? Al in de eerste zaal van de tentoonstelling Late Rembrandt in het Rijksmuseum dringt die vraag zich op. Vanaf drie wanden kijkt de schilder je intens aan en steeds doet zijn blik een ander karakter vermoeden. Links, op het zelfportret uit 1659 van de National Gallery in Washington, oogt de kunstenaar een beetje misprijzend, met zijn melancholische ogen en zijn zuinige pruilmondje. Het middelste doek, Zelfportret als de apostel Paulus (1661) uit het Rijksmuseum, is juist vrolijk en guitig, alsof Rembrandt ons zojuist iets wijsneuzerigs heeft toegefluisterd. Rechts, op het zelfportret van de National Gallery in Londen dat hij maakte in zijn sterfjaar 1669, kijkt Rembrandt tevreden en zelfgenoegzaam – een man die veel heeft bereikt in zijn leven.

Het drietal zelfportretten is een knallende binnenkomer van een fabelachtige blockbuster over de laatste twintig jaar van Rembrandts leven. Ze zijn niet eens zo groot, deze schilderijen, en ze hangen ver uiteen aan de donkergrijze wanden van de Philipsvleugel. Maar hun aanwezigheid is zo krachtig dat ze met zijn drieën met gemak de ruimte vullen. Zoals sommige mensen met hun persoonlijkheid een ruimte kunnen innemen, zo bezitten deze drie schilderijen een enorm charisma. Het zijn portretten die stralen van zelfvertrouwen. Dit is een man die lak heeft aan wat anderen van hem denken.

Rembrandt Harmensz van Rijn (1606-1669) hield geen dagboek bij en schreef geen uitvoerige brieven. We kijken naar die gezichten van verf alsof we daaraan de gedachten van de maker kunnen aflezen. Late Rembrandt is een tentoonstelling die de bezoeker uitnodigt om op zoek te gaan naar die onderliggende emoties. De expositie is ingedeeld in tien thema’s als ‘intimiteit’, ‘innerlijke strijd’, ‘contemplatie’ en ‘verzoening’. „In de laatste jaren van zijn leven gaat het werk van Rembrandt niet meer over actie en passie”, aldus Gregor Weber, een van de samenstellers van de expositie. „In dat late werk draait het om verstilling.”

Dankzij historische documenten weten we dat Rembrandt in die laatste twintig jaar van zijn leven te maken had met fikse tegenslagen. In 1642 was zijn vrouw Saskia van Uylenburgh overleden en bleef de kunstenaar alleen achter met zijn eenjarige zoon Titus. In datzelfde jaar had Rembrandt de Nachtwacht afgeleverd, zijn meest ambitieuze schilderij tot dan toe, daarna stokte zijn productie. Tien jaar lang kwam er nauwelijks iets uit zijn handen. „Nu zouden we dat een burn-out noemen”, zegt Weber.

Onwettig kind

Intussen moest Rembrandt wel de hypotheek aflossen van het immense pand aan de Jodenbreestraat in Amsterdam, het huidige Rembrandthuis, dat hij in 1639 voor het astronomische bedrag van 13.000 gulden had gekocht. Maar opdrachtgevers waren dun gezaaid in de jaren vijftig. Door de Eerste Engelse Zeeoorlog (1652-54) liep de Nederlandse economie een flinke dreun op. Dat Rembrandt intussen een onwettig kind had verwekt bij zijn huishoudster Hendrickje Stoffels, deed zijn reputatie geen goed. Stoffels werd door de kerkraad aangeklaagd wegens hoererij. En Rembrandt raakte als ‘de kunstenaar met de losse zeden’ bij opdrachtgevers uit de gratie. Desondanks bleef hij zelf gretig kunst verzamelen. In 1656 werd hij bankroet verklaard en in 1658 werd zijn inboedel per opbod verkocht. Met Titus en Hendrickje verhuisde Rembrandt naar een klein huurhuis aan de Rozengracht.

Het getuigt van Rembrandts lef dat hij juist in deze tijd van economische malaise besloot om zich niet te confirmeren aan de smaak van zijn opdrachtgevers. Halverwege de zeventiende eeuw, was de gladde, elegante stijl van Anthony van Dyck in de mode en de gepolijste, Franse portretkunst. Maar Rembrandt keek liever naar de Venetiaanse meester Titiaan, die in zijn late periode veel losser was gaan werken. Titiaan schilderde in vlekken, die van een afstandje samen een voorstelling vormden, maar die van dichtbij heel vrij en experimenteel oogden. Ook Rembrandt veranderde in zijn laatste jaren – vanaf circa 1651 – radicaal van stijl. Zijn kwaststreken werden vrijer en breder, de klodders verf steeds vetter. Hij was waarschijnlijk de eerste schilder die een paletmes gebruikte. „Het lijkt alsof de verf erop gesmeerd is met een metselaarstroffel”, schreef Arnold Houbraken smalend over deze late werken, in zijn biografie van Rembrandt die in 1718 verscheen.

Hoe revolutionair Rembrandts nieuwe manier van werken was, is goed te zien in de zaal met het thema ‘experimentele techniek’. Hier hangt het imposante Zelfportret met twee cirkels (1665-1669) uit de collectie van Kenwood House in Londen. Van veraf zie je een schilder met een palet en kwasten in de hand, maar wanneer je een paar passen naar voren zet, ontdek je dat Rembrandts hand niet meer is dan een vage bruine vlek. Zijn witte muts bestaat uit twee vegen roomwit, zijn oorlel uit een paar toefjes rood en zijn snor uit een kras met de achterkant van het penseel. Op het gezicht na, is dit zelfportret in feite één grote waas. Het is een van de intrigerendste doeken uit Rembrandts oeuvre. Zou het schilderij wellicht nog niet af zijn en is het daarom zo onuitgewerkt? Of keek Rembrandt juist hoever hij met zijn experimenten kon gaan? En wat betekenen die twee halve cirkels op de achtergrond? Zijn het wereldbollen, kabbalistische tekens, of was het misschien een meesterproef waarmee Rembrandt wilde laten zien hoe feilloos hij uit de losse hand een cirkel tekenen kon? Is dit werk niet gewoon één grote uiting van bravoure?

Ook in het schilderij dat tegenover het zelfportret met de cirkels hangt, de adembenemende Lucretia uit het Minneapolis Institute of Art, heeft Rembrandt al zijn schilderkunstige foefjes uit de kast gehaald. De mouwen van haar gele mantel lijken wel stukken boomschors, zo ruw is het reliëf van de verf. De witte zijde van haar jurk bestaat uit korsterige vegen – en toch is het zijde.

Bevangen door schaamte

Maar meer nog dan een technisch experiment is dit schilderij een hartverscheurend beeld van een meisje dat bevangen is door schaamte. Lucretia was een Romeinse heldin die zichzelf van het leven beroofde nadat ze was verkracht. Rembrandt schilderde haar twee keer, maar deze versie uit 1666 is veruit de mooiste. De voorstelling toont het moment dat Lucretia haar wanhoopsdaad net heeft uitgevoerd. Tranen wellen op in haar ogen, en op de plek waar ze zich met een mes in haar buik heeft gestoken, begint het bloed door haar witte jurk te sijpelen. Er zijn weinig schilders die het moment van sterven zo mooi en zo ingetogen hebben weergegeven. Het is alsof je de kleur ter plekke uit Lucretia’s gezicht ziet trekken. Ze zoekt naar houvast en grijpt zich vast aan een koord. Eén tel later en ze zal op de vloer ineenzakken.

Ook naar dit schilderij kun je niet kijken zonder aan Rembrandts persoonlijke tragedies te denken. In het gezicht van Lucretia zijn de gelaatstrekken van zijn geliefde Hendrickje te herkennen, die drie jaar eerder was overleden, vermoedelijk aan de pest. Dit weergaloze schilderij is vooral een eerbetoon aan haar. Hiermee wilde Rembrandt laten zien dat ze geen hoer was, maar een vrouw om van te houden.

Keer op keer word je op deze tentoonstelling geraakt door die sensitieve, menselijke kant van Rembrandt. Je ziet die in de tederheid waarmee echtelieden elkaar begluren, in de hand op een borst in het voor Nederlanders zo bekende schilderij De Joodse Bruid. Maar je ziet het ook in datzelfde gebaar van een peuter die de borst van haar moeder beroert, op het Familieportret (circa 1665) uit Braunschweig, het enige gezinsportret dat van Rembrandt bekend is. Mensen zijn met elkaar in contact, ze communiceren met elkaar, er is veel onderlinge genegenheid. Vergelijk dat maar eens met andere groepsportretten uit de zeventiende eeuw – die zijn zo veel stijver en statiger.

Gebeeldhouwde mouw

Alleen al het zien van de combinatie van die twee schilderijen, De Joodse Bruid en het Familieportret, is een bezoek aan deze tentoonstelling waard. Het schilderij uit Braunschweig is voor het eerst in zeventig jaar uitgeleend, en de kans is groot dat dit de enige keer is dat de werken ooit nog naast elkaar hangen. Natuurlijk, je kunt ze bekijken in de fraaie catalogus, waarin veel wordt ingezoomd op de details van de schilderijen. Maar dan zie je niet hoe het daglicht de mouw streelt van de bruidegom van De Joodse Bruid, die wel gebeeldhouwd lijkt. Alleen wanneer je er met je neus op staat, valt je op dat het kanten manchet van de moeder op het Familieportret ruw en blokkerig is geschilderd, als het spoor van een tractor in de verse sneeuw. Dan zie je ook dat de jurk van het middelste kind niet groen is, maar bestaat uit ongemengde streken geel en blauw die Rembrandt met zijn paletmes uitsmeerde – precies zoals de Duitse schilder Gerhard Richter hem dat driehonderd jaar later na zou doen.

Alleen hier, staand in het Rijksmuseum, omringd door meer Rembrandts dan je ooit bij elkaar hebt gezien, ervaar je die sensatie. En besef je dat Rembrandt juist op zijn oude dag zijn tijd ver, ver vooruit was.