Waterpsalmen en ijsmummies

Geschiedenis en actualiteit mengen zich met absurdisme en eigen fantasieën. Vorsten van eeuwen her, sprekende paarden, ijsmummies of het dorpje Doodstil. Ze trekken compact en geestig samen op.

Foto D. Delimont/Getty Images

In een van haar gedichten neemt Ellen Deckwitz ons mee naar de zestiende eeuw, naar een strand ergens langs de Noordzee. Het is winter en het is koud. ‘Wolken stonden klaar om sneeuw te zaaien / en vorst te oogsten.’ Het is zo koud dat er in de steden zelfs iglo’s op de grachten worden gebouwd, zo wil Deckwitz ons doen geloven. En ze wil ons ook doen geloven dat niemand minder dan Filips II van Spanje en Willem van Oranje elkaar daar op het strand treffen, want ‘Willem en Filips / moesten eens onderhandelen.’ Hoe gaat dat in zijn werk?

Volgens Deckwitz leggen de mannen eerst hun kanten kragen af. Daarna doen ze hun met bont gevoerde mantels uit, en leggen hun penningen op het strand, tussen de schelpen. We zien ‘klamme mannenvoeten op plakzand’ met hun ‘knokige enkels in het vrieswater.’ Het lijkt wel alsof ze nu in hun ondergoed naar de zee lopen. En inderdaad: ‘De stijgende zee haakt in linnen ondergoed / vast.’ En dan? Ze maken er een wedstrijd van: ‘Wie het verst kan, zei er een, en ging / kopje onder.’ En dat is ook meteen het laatste wat we over hen lezen: ‘Zo verdwenen ze in de golven. / Toen was dat nog een vorm van praten.’ Einde wedstrijd, einde onderhandeling, einde gedicht.

Humor

Het is te vinden in De blanke gave, de derde bundel van Ellen Deckwitz. Ik vertel het na omdat het een goed voorbeeld geeft van hoe zij historische gegevens vermengt met haar eigen fantasie. Ik zie de scène wel voor me, en ik kan er ook wel de grap van inzien, maar ik weet niet eens of humor de bedoeling is.

Zo vergaat het me vaak bij het lezen van Deckwitz. Ik zie binnen een en hetzelfde gedicht verwijzingen naar de werkelijkheid én elementen van absurdisme of sprookje of kinderlijke verbeelding – en het geheel is vaak moeilijk te plaatsen. Wat wil het gekke verhaal over Filips en Willem die in hun ondergoed de ijskoude zee inlopen ons vertellen?

De enige verbinding die ik met de rest van de bundel zie is het water, het stijgen van de zee en het verdwijnen in de golven. In bijna alle gedichten speelt het water een rol. Er zijn, verspreid door de bundel, vijf ‘waterpsalmen’. Er zijn toespelingen op de opwarming van de aarde, het stijgen van de zeespiegel, smeltende ijskappen, overstromingen en watersnoodrampen. De ark van Noach komt voorbij, de overstroming van New Orleans, zeevervuiling, maar ook een beschrijving in proza van een ondergelopen Nederland, ‘van Groningen tot het Drielandenpunt’.

Daarnaast dient zich door de hele bundel heen nog een tweede dunne verhalende lijn aan, over een vader en een dochter. Maar ook daar valt weinig samenhangends over te zeggen. Soms lijkt het alsof deze vader niet helemaal goed snik is, of alcoholist, of ziek – of een tovenaarspersonage uit een of andere fantasy-wereld waarin dier- en mensvormen gemakkelijk in elkaar over kunnen gaan. Het is, om een indruk te geven, zo’n wereld waarin soms een paardenhoofd uit de badkuip steekt en zegt: ‘Ik ben wat peziger maar ook ik geef melk.’ Misschien moeten we dus wel spreken van gothic poëzie? Ik heb er niet veel voeling mee en ik krijg er geen greep op. ‘Op je polsen / zaten geen weefsels meer // in de vorm van plekken waarvan je vond / dat ze bestonden.’ Wat zou dat betekenen?

Er zijn een paar gedichten die min of meer op zichzelf staan, en die ik nog wel ongeveer kan volgen. Een brief aan de inwoners van Doodstil, in Groningen, over de gevolgen van de aardgaswinning, met bijvoorbeeld dit aardige beeld: ‘Veel trager dan een ladder in een panty / kruipt over de slaapkamerwand een barst.’ Of een chagrijnige inventarisatie van al die alledaagse gebeurtenissen waardoor een mens kan gaan vloeken: je teen stoten of het geluid van het luchtalarm. Of een pijnlijk portret van Thom Karremans in Srebrenica, en het zoekraken van de fotorolletjes daarna.

Maar ook voor deze gedichten geldt: het is allemaal erg compact en ingewikkeld en indirect – heel anders dan je zou verwachten van een dichteres die graag op het podium staat.

Google Maps

Maar één keer schoot ik spontaan in de lach en werd ik echt aan het denken gezet: in een lang gedicht over drie ijsmummies die in 2010 onder smeltende gletsjers werden gevonden. Het is wrang om te zien dat Google Maps elk jaar nauwkeurig het verdwijnen van gletsjers in kaart brengt, maar het maken en raadplegen van die kaarten kost zoveel stroom dat het wereldwijde smelten er alleen maar door wordt versneld. Deckwitz zegt het niet met zoveel woorden, maar ze suggereert het wel: zo brengen we, door de vooruitgang, juist achteruitgang in kaart.

Door de vondst van al die ijsmummies komen we steeds meer over onze voorouders te weten, maar intussen brengen we daarmee een volgende zondvloed juist dichterbij.