Voor hen kwamen de gesprekken al veel te laat

Bij de oorlogen in Oekraïne en Syrië vallen veel burgerdoden. Humanitaire organisaties roepen op dit te veroordelen. Maar wat haalt een politieke verklaring uit tegen de beruchte Grad-raket?

De stevige, dertigjarige vader Vladimir Bobritsjev huilt. „Mijn vierjarige zoontje ligt nu in het lijkenhuis”, zegt hij. „Ik heb hem onder een laag stof en puin vandaan gegraven. Hij was gestikt. Vandaag begraven we hem. Mijn oudste zoon lag onder dakplaten. Ik heb hem uitgegraven en meegenomen naar de kelder. De artsen hebben hem gered, maar hij is zijn neus kwijt. Het rechterbeen van mijn vrouw is geamputeerd, boven de knie. Een vrouw van 29. Dit is een nachtmerrie.”

Bij de begrafenis van zijn zoontje vertelde Bobritsjev aan mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch wat zijn gezin overkwam toen op 18 januari twaalf mortieren vielen op een woonwijk in Donetsk in Oost-Oekraïne. „De eerste bom viel op mijn huis, de tweede een paar huizen verderop, en zo verder, tot aan het kruispunt.”

Donetsk, Marioepol – bij bombardementen in Oost-Oekraïne zijn de afgelopen drie weken 240 burgers omgekomen, wat het totaal aantal doden in het conflict volgens de Verenigde Naties de 5.000 heeft doen passeren.

Deze dagen zijn het 7.000 overgebleven inwoners van Debaltseve die doodsbang in hun kelders schuilen terwijl buiten de raketten inslaan. Een journalist in het strategisch gelegen stadje, Maxim Tucker, twitterde dinsdag: „Geen woorden meer. Debaltseve is fucking verschrikkelijk. Nog steeds gillen en huilen mensen in de kelders terwijl raketten een bommentapijt over de stad leggen.”

Verderf zonder onderscheid

Burgerslachtoffers in een oorlog zijn niet nieuw. Maar het aantal burgerslachtoffers dat valt in onoverzichtelijke conflicten als dat in Oekraïne is buitenproportioneel, zeggen de Verenigde Naties en mensenrechtenorganisaties als Human Rights Watch.

„De strijd in Oekraïne heeft helaas de kenmerken van meer moderne oorlogen”, zegt Steve Goose, directeur van de wapendivisie van HRW, aan de telefoon vanuit New York. „Net als in Syrië wordt de strijd uitgevochten in de steden. Het onderscheid tussen rebellen en de burgerbevolking is onduidelijk, soms doordat strijdende partijen daar bewust op inzetten. En er worden verouderde wapens gebruikt, van Russische makelij, die dood en verderf zaaien zonder onderscheid.”

Neem de zowel in Oekraïne als in Syrië gebruikte Grad-raket, zegt Rob Perkins, wapenonderzoeker bij Action on Armed Violence (AOAV), een ngo in het Verenigd Koninkrijk. „Een Russisch wapen, gemaakt voor oorlog tussen legers, oorlog op een slagveld. Eén enkele raket kan 40 projectielen afschieten in 20 seconden, die allemaal weer exploderen en die een tank kunnen vernietigen. Monstrueus.”

Moderne slagvelden zijn „bushaltes en bussen, markten, scholen en crèches, ziekenhuizen en woonwijken”, zoals de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN Zeid Ra’ad Al Hussein het eerder deze week uitdrukte. Soms vinden de strijders burgers niet belangrijk genoeg om zich druk over te maken, zegt Perkins. „Dan willen ze een vijandige post uitschakelen en maakt het ze niet uit dat er een school naast staat.”

Soms zijn burgers doelwit, zoals in het Syrië van Assad. Soms zijn burgerdoden een middel om levende burgers en media mee te manipuleren, leggen Perkins en Goose uit. Strijders nestelen zich in woonwijken, in de hoop dat ze daar niet bestookt worden. Als er toch bommen vallen, dan ziet de hele wereld hoe barbaars de tegenpartij is.

In het jaarrapport over 2014, dat eind vorige week verscheen, vraagt Human Rights Watch aandacht voor het bombarderen van dichtbevolkte woonwijken met zogeheten wide area-wapens: zware mortiergranaten, raketten en bommen die lukraak neerkomen en exploderen in een storm van dodelijke scherven – schroot dat doodt.

Landbommen, clusterbommen

De vierde Conventie van Genève stelt dat het gebruik van geweld proportioneel moet zijn en dat burgers moeten worden ontzien. Omdat veel strijdende partijen zich daar afgelopen jaren weinig van aantrokken, probeert Human Rights Watch met vijftien andere ngo’s gedaan te krijgen dat met het bombarderen van woonwijken met wide area-wapens hetzelfde gebeurt als met het gebruik van landbommen en clusterbommen. Het moet internationaal onacceptabel worden.

„We streven niet naar een wet, maar naar een document met definities en zo mogelijk standaarden van wat kan en wat niet” zegt Steve Goose. Hij stond mede aan de basis van het VN-verdrag tegen landmijnen (1997) en de conventie tegen clustermunitie (2008). De door hem opgerichte mondiale campagne tegen landmijnen werd in 1997 onderscheiden met de Nobelprijs voor de Vrede. Inmiddels is het gebruik van landmijnen meer dan gehalveerd, zijn voorraden vernietigd en worden mijnen nauwelijks nog geproduceerd.

Binnen het Internationale Netwerk tegen Explosieven streven de ngo’s naar een door de VN aan te nemen verklaring die het bombarderen van stedelijke gebieden veroordeelt. Goose heeft goede hoop dat zo’n verklaring, waar ook het Rode Kruis en VN-secretaris-generaal Ban Ki-Moon al toe hebben opgeroepen, er komt. „Al veertig landen, waaronder Nederland, hebben zich tegen het beschieten en bombarderen van stedelijke gebieden uitgesproken.”

Het klinkt futiel, een politieke verklaring tegen een zo barbaarse praktijk, erkent Goose. „Maar al houden de Syriës van deze wereld zich er niet aan, bij landmijnen en clusterbommen heeft het heel goed gewerkt. Landen laten zich er nu op voorstaan dat ze dit materieel niet meer gebruiken, ook als ze de conventie niet getekend hebben.”