Succes, neergang en reünieconcert van The Ships

Nadat ze midden jaren tachtig doorbraken met hun album Five Flights Up waren The Ships in the Night heel even wereldberoemd. Toch heeft u nooit van ze gehoord, want de band bestaat alleen in De nacht is jong, de nieuwe roman van Joseph O’Connor (1963). Een Ierse schrijver die over een band schrijft – dan denk je meteen aan The Commitments van Roddy Doyle. Maar The Ships zijn geen soulband en waar Doyle zijn band uit elkaar liet vallen voordat er sprake was van welke doorbraak dan ook, laat O’Connor zijn Ships wereldwijd succes behalen.

Daarmee maakt O’Connor het zich niet gemakkelijk, want niets is moeilijker dan geloofwaardige fictieve beroemdheden te scheppen en niets is in literair opzicht zo saai als succes. Hij lost dat op beproefde wijze op: O’Connor besteedt meer aandacht aan de moeizame beginjaren dan aan het grote succes. Die moeizame beginjaren spelen zich af in Luton, net boven Londen. Het boek over The Ships dat we lezen, is zogenaamd geschreven door gitarist Robbie Goulding, de stille jongen van de band, die nogal verslavingsgevoelig blijkt. Dat heeft hij gemeen met de meer dan flamboyante zanger Fran, een Vietnamees weeskind dat ooit door een Brits echtpaar is geadopteerd. Er is ook nog een standvastige drummer en een mooie bassiste/celliste op wie Robbie hopeloos verliefd is.

Het universele verhaal van een bandje dat wanhopig iets probeert te bereiken kunnen we uittekenen, en de onderlinge verhoudingen van de bandleden en hun familierelaties zijn een stuk onderhoudender dan alle muzikale besognes. Een van de sterren van het boek is de vader van verteller Robbie, een rondborstige Ier die stiekem geniet van alle welbespraakte ruzies die hij met zijn zoon uitvecht. De man lijkt weggelopen uit het oeuvre van Roddy Doyle, die grossiert in zulke Ierse vaders. Wat niet wegneemt dat de vader-zoonconfrontaties tot de hoogtepunten van deze roman horen.

Wanneer The Ships enige naamsbekendheid hebben verworven, verkast de band naar New York. Drugs, drank, ruzies, moeilijkheden met producers en managers – het is allemaal precies wat je verwacht. Hier krijgt de roman iets van een invuloefening. O’Connor lijkt dat ook te beseffen en hij laat de avonturen van The Ships dan ook niet te lang duren: net als de wereld aan de voeten van de band ligt, heft voorman Fran tot verbijstering van de andere bandleden de groep op om te beginnen aan een solocarrière, die hem wereldroem zal bezorgen.

Vervolgens begint het tweede deel van de roman, dat zich een kleine dertig jaar later afspeelt, op de dag waarop in Dublin een reünieconcert van The Ships zou moeten plaatsvinden. In dit deel draait het om de neergang en het moeizame herstel van gitarist Robbie, die als man van een jaar of vijftig op een woonboot ergens in Londen woont, vol zelfhaat en wroeging. Allerminst verliefd op zijn eigen verleden twijfelt hij of hij mee moet doen met het reünieconcert. Pas in dit deel wordt verteller Robbie een uitgediept personage, een sympathieke getroebleerde geest om wie je als lezer een beetje gaat geven.

De nacht is jong is onevenwichtiger dan O’Connors Volgspot, over een actrice in haar nadagen. Het is een boek voor lezers die de jaren tachtig meemaakten, en houden van popmuziek en de romantiek die daarbij horen.