Steek eens wat op van Rotterdam

Amsterdam kan nog heel wat leren van Rotterdam, stelt Amsterdammer Wim Kamerman (71), die na 35 jaar wonen in Rotterdam onlangs terugkeerde naar de hoofdstad.

Foto´s Thinkstock / Beeldbewerking NRC

Toen ik zo’n 35 jaar geleden als geboren en getogen Amsterdammer naar Rotterdam verhuisde, werd ik door vrijwel iedereen in mijn naaste omgeving meewarig aangekeken. Verhuizen naar zo’n mistroostige uithoek van het land, terwijl Amsterdam toch het centrum van de wereld was?

Nu ik na lange tijd van Rotterdam weer naar Amsterdam ben teruggekeerd, bleek in die houding niets veranderd te zijn. Amsterdam wordt door ‘echte’ Amsterdammers – de spraakmakende witte elite, andere inwoners zijn maar toevallig aanspoelsel – nog steeds gezien als het centrum van het heelal.

Het is die arrogante, dorpse, naar binnen gerichte kijk op de wereld, die mij het eerst weer opviel na mijn terugkeer. De ernst en overtuiging waarmee veel Amsterdammers over de voortreffelijkheid van Amsterdam spreken, contrasteerde scherp met de lichte en speelse toon die ik als Amsterdammer (import blíjft import, ook in Rotterdam) met mijn Rotterdamse vrienden onderhield over 010 versus 020.

Amsterdam is een heel prettige plaats om te wonen, het culturele voorzieningenniveau is onmiskenbaar hoger en uitgebreider dan dat van Rotterdam. De voedingsbodem voor cultuur is rijker, er staan prachtige musea (die nu ook open zijn), er zijn mooie theaters en concertzalen, met interessante opvoeringen, bijna alle films van belang kun je zien. In Rotterdam moet je daarvoor meer je best doen en soms zelfs naar Amsterdam reizen.

Daar staat wel tegenover dat de drang om overal bij te zijn, alles te zien, aan alles mee te doen tot een enorme belasting van de stad leidt. De stad is er eigenlijk te klein voor. De grote stromen toeristen maken het nog erger. Amsterdam is vol, letterlijk vol. De druk van de massa’s mensen op een klein oppervlak is enorm. Voor het verkeer geldt hetzelfde: auto’s, bussen en trams strijden om de ruimte met de massa’s fietsers en scooters. Een fiets parkeren is bijna onmogelijk. Die drukte en zelfs overbelasting van de stad zal er ook wel toe bijdragen dat de basishouding van veel gebruikers van de openbare ruimte in de stad er een is van permanent verontwaardigde verongelijktheid. De kans dat je onderweg in de stad uitgescholden wordt, nadert de 100 procent.

De fysieke stad, zeker de binnenstad, raakt overbelast. Een beetje rommeligheid is een stad eigen en onvermijdelijk, maar de bereidheid van bewoners en stadsbestuur om de toenemende chaos, vervuiling en verrommeling van de openbare ruimte te accepteren als normaal en zelfs als „horend bij het anarchistische Amsterdam” is verbazingwekkend. Amsterdam loopt het gevaar een ontoegankelijk samenraapsel van overbelaste straten en pleinen te worden, geen open en toegankelijke stad. En bovenop die drukte komt nog het verschijnsel van de groei van goedkope commercie. Er is niets tegen lage prijzen, maar dit ‘goedkoop’ is vaak synoniem met smakeloos, grof en ‘armoeiig’.

In mijn beleving is Rotterdam in vergelijking daarmee opener, schoner en ruimer. Natuurlijk ligt er in Rotterdam ook vuil op straat en kleef je aan het trottoir vast door de kauwgom. Over de hondenpoep begin ik niet eens. We weten ook dat de ruimere opzet van Rotterdam het gevolg is van het bombardement van mei 1940. Maar dat nadeel is nu – in de vergelijking met het compacte en dichtbebouwde Amsterdam – wel een voordeel geworden.

De oplossing lijkt mij voor Amsterdam te liggen in veel duidelijker keuzes voor de manier waarop de stad functioneert: voorrang voor fiets en openbaar vervoer, verder terugdringen van gemotoriseerd verkeer (dus ook die vermaledijde scooters), gekoppeld aan uitbreiding van nieuwe vormen van elektrisch vervoer (Car2Go is een mooi voorbeeld), maar ook het spreiden en versterken van hotspots buiten het centrum. Plekken als De Hallen in de Kinkerbuurt en de noordelijke IJ-oever zijn interessante voorbeelden, maar waarom kunnen de westelijke tuinsteden, de Bijlmer (dat is voor de import-Amsterdammers Amsterdam Zuidoost) en IJburg (nu toch vooral bekend bij bewoners) niet veel meer in beeld komen?

En vooral, leer ook van Rotterdam! Daar praten ze niet alleen, maar ze doen het ook. Er staan nu imposante en iconische bouwwerken, niet allemaal even geslaagd, maar wel indrukwekkend: de Erasmusbrug, de nieuwe markthal, het station, de Rotterdam, de opgestoken vinger van Rem Koolhaas. Waar blijft in Amsterdam de fietsloopbrug over het IJ, wanneer vormen Damrak en Rokin een wandelboulevard, waar je niet langs een aaneenschakeling van goedkope toeristenwinkels, gokhallen en laagwaardige horeca loopt? De oproep en aanklacht van Wim Pijbes, directeur van het Rijksmuseum om de stad weer aantrekkelijk te maken, was me uit het hart gegrepen.

En nu ik het toch over het Rijksmuseum heb, de openstelling van de onderdoorgang voor fietsers vind ik een bewijs voor mijn opvatting dat de dorpse mentaliteit van Amsterdammers tot nu toe verhindert dat deze stad echt een stad wordt. De bereidheid van zwakke en opportunistische bestuurders om te buigen voor een kleine, maar hardnekkige actiegroep die de onderdoorgang voor fietsers als het nieuwste mensenrecht beschouwt, vond ik schokkend. De mogelijkheid om een Amsterdams museum van wereldfaam een toegang met allure te laten bouwen is daardoor om zeep geholpen. Mijn levenslange lidmaatschap van de Fietsersbond heeft op het spel gestaan.

De belasting van Amsterdam door het imposante verleden dreigt de stad lam te leggen. Ik zou zeggen: steek iets op van de open, doelgerichte en prettig concrete houding van Rotterdammers; doe niet iets na, maar laten we zelf bedenken hoe de stad vitaler, schoner en diverser in kwaliteit kan worden. Cultiveer geen verschillen, maar maak gebruik van de eigen kwaliteiten van beide steden. En roep het concept van de Randstad Holland weer in leven; al die kleine stedelijke wijken als Amsterdam, Haarlem, Den Haag, Rotterdam zijn ieder voor zich te klein om op eigen kracht een krachtig stedelijk geheel te vormen. Samen staan we er beter voor. En Feyenoord wordt kampioen – over een tijdje.