Rondwaren in een smerige opera

En weer doemt de ‘Grande Guerre’ op, maar dan in een kleine, volwaardige roman van een ongeëvenaarde miniaturist die wars is van psychologie. Drie mannen vertrekken naar het front, een vrouw blijft achter.

Franse gewonden uit de loopgraven in een hospitaal, een illustratie uit 1916 Foto SeM/UIG/Getty Images

‘De stormklok kon gezien de huidige toestand van de wereld maar één ding betekenen: mobilisatie. Zoals iedereen was Anthime daar wel een beetje op voorbereid, zonder het echt serieus te nemen, maar hij had nooit gedacht dat het op een zaterdag zou gebeuren’.

Die paar zinnen, uit het begin van de roman 14, zijn typerend voor de stijl van Jean Echenoz. Hij begint met een panoramisch camerabeeld rond Anthime, een jonge boekhouder in een schoenenfabriek in de Vendée, die fietsend in de augustuszon geniet van het uitzicht op de heuvels. Anthime ziet ossenkarren, paard- en wagens die de graanoogst binnenhalen, dorpjes met kerktorens, velden en weiden, de oceaan ‘onzichtbaar maar aanwezig’.

Dan komt ‘boven in al die klokkentorens plotseling, precies op hetzelfde moment, een piepkleine maar regelmatige beweging op gang’ en alles wordt anders. Op dat moment zoomt Echenoz in en wordt hij de miniaturist die door niemand wordt geëvenaard. Anthime gaat naar de place Royale waar iedereen zich opgewonden verzamelt en treft er Charles. Die draagt ‘zijn Rêve Idéal-fototoestel van Girard & Boitte’ om zijn nek en maakt ‘in een atoom van een glimlach’ een opmerking over Anthimes zegelring. Charles maakt zich geen zorgen over de mobilisatie, ‘het is een kwestie van hooguit veertien dagen’. In een paar pagina’s zijn we van een breedbeeldlandschap beland bij een atoom.

In drie recentere romans portretteerde Echenoz op zijn eigen filmische wijze de componist Maurice Ravel, de Tsjechische hardloper Emil Zatopek en de Amerikaanse uitvinder Nikola Tesla. Steeds was zijn toon herkenbaar: afstandelijk-ironisch, laconiek en vol droge humor. Van uitgesproken psychologie moet Echenoz niets hebben, en toch spelen zich er hele drama’s af in het leven van zijn personages, of ze nu historisch zijn of niet.

Vingeroefeningen

Vorige zomer publiceerde Echenoz een bundel met zeven korte verhalen, Caprice de la reine. Het waren vingeroefeningen, toonladders en een enkele ouverture, stuk voor stuk onmiskenbaar Echenoz: precieze beschrijvingen van landschappen of straten met hilarische quasi-achteloze tussenzinnetjes. Het titelverhaal bijvoorbeeld komt uit de laatste zin van een beschrijving van een landschap. Heuvels, grazende koeien, terrasbouw, een boerderij, een ravijn, zonder een enkele verhaallijn. Die komt er pas in de laatste alinea, nee, in de laatste zin, als de focus verschuift naar een mierenkolonie. De bundel was een oefening in het zo kort mogelijk omschrijven van een beeld, van een geluid, waarvan de onderdelen bij Echenoz altijd meer opleveren dan de som der delen.

Ondanks zijn relatief geringe aantal pagina’s is 14 een volwaardige roman. De luidende stormklok van de eerste pagina’s is de opmaat voor de dramatische verandering in het leven van Anthime en van Charles. Ook Anthimes vrienden worden onder de wapenen geroepen, Padioleau die eruit ziet ‘als het volstrekte tegendeel van een slagersjongen, terwijl dat nu net zijn beroep was’. En Bossis ‘die het niet genoeg vond om het uiterlijk van een vilder te hebben, (en) dat ook echt was’; en de zadelmaker Arcelin. ‘Hoe dan ook, die drie interesseerden zich elk op zijn eigen manier veel voor dieren’, luidt het droge commentaar van de verteller. Allemaal gaan ze de volgende dag naar de kazerne, op de trein en naar de vuurlinies.

Aan het eind van het boek, als ze zich in de loopgraven in de Ardennen bevinden, komt de verteller op de dieren terug. Dan zijn het hazen, reeën, everzwijnen, ‘onverhoopte aanvullingen op het karige rantsoen’, maar vooral ratten en luizen, ‘allerlei soorten parasieten die niet alleen geen enkele nutritieve aanvulling boden maar zich integendeel vraatzuchtig aan de manschappen te goed deden’.

De spanning in de roman komt, behalve uit de oorlogsellende en het lot dat de hoofdpersonen wacht, voort uit de relatie tussen Anthime en Charles, onderdirecteur van de schoenenfabriek Borne-Sèze. Dat het broers zijn onthult Echenoz pas halverwege het boek. Beide mannen worden bij hun vertrek naar het front uitgezwaaid door de mooie Blanche Borne, de enige dochter van de fabriekseigenaar. De hooghartige, kille Charles krijgt ‘een glimlach van trots over diens krijgshaftige voorkomen’, de onzekere, plooibare Anthime ‘een andere variëteit glimlach, ernstiger, iets ontroerder zelfs’.

Ranzigheid

Terwijl Blanche ontdekt dat ze zwanger is, belanden de mannen in een wereld van ‘stank van wegrottende paarden en gesneuvelde manschappen in ontbinding, met daarbij de geur van pis en schijt en zweet, vuil en braaksel van degenen die nog min of meer overeind blijven in de modder, om nog maar te zwijgen van die allesoverheersende walm van ranzigheid, schimmel, veroudering’.

Beiden schrijven ze aan Blanche en dat vertelt Echenoz ons zo: ‘ze verlaat de kamer en komt daarbij langs het bureau, dat deze ochtend geen enkele rol heeft gespeeld; het is niet anders gewend, dient nooit ergens toe behalve om de brieven te bewaren die Anthime en Charles elk afzonderlijk regelmatig aan Blanche sturen, waarvan de stapels bijeengebonden met contrasterend gekleurde linten in aparte laden liggen’. Slechts een van de rivalen komt levend terug, hij verwekt bij Blanche een tweede kind.

De ‘Grande Guerre’ was de afgelopen eeuw een populair literair thema en Echenoz is de eerste die zich dat realiseert: ‘Dat alles is al duizend keer beschreven, dus misschien is het niet de moeite om nog langer stil te staan bij die smerige, stinkende opera. Misschien is het ook niet erg nuttig of relevant om de oorlog met een opera te vergelijken, vooral als je niet zo van opera houdt, ook al is die net als hij overweldigend, pompeus, buitensporig, vol langdradige passages, en ook al maakt die net als hij veel lawaai en is hij op den duur nogal saai’. Maar het is wel degelijk de moeite, je blijft citeren uit 14 – een weergaloze Echenoz in een magnifieke vertaling.