Pech op de polen: de Europeanen kwamen langs

Ooit vormden de poolgebieden ongerepte vlakten van ijs en sneeuw, onherbergzaam en ontoegankelijk. Volgens de Griekse mythologie strekte zich onder de Poolster een paradijselijk land uit. En voor de renaissance-mens woonde daarginds de duivel. Deze twee beelden, van vruchtbaar paradijs tot ijzige hel, bepalen door de eeuwen heen de menselijke omgang met het Noord- en Zuidpoolgebied, ofwel Arctica en Antarctica. De lokroep ervan is onweerstaanbaar.

Wie erheen reist, wil het ‘ijstijdgevoel’ ondergaan, zoals hoogleraar in de arctische studies Louwrens Hacquebord (1947) schrijft in zijn boek Wildernis, woongebied en wingewest. Heroïsche poolreizigers als Nansen, Peary en Amundsen hebben voorgoed dat romantische beeld gevormd. In het boek van Hacquebord spelen ze slechts een bijrol. Het accent ligt op ‘woongebied’ en ‘wingewest’, ofwel de menselijke exploratie van de poolgebieden. Onheilspellend is zijn observatie dat het daar in het hoge noorden en het diepe zuiden pas goed mis ging ‘toen de Europeanen kwamen’.

Inderdaad. Zijn relaas over de verwoesting van de kwetsbare poolnatuur is huiveringwekkend. Tijdens de industriële revolutie werd al snel duidelijk dat de ijswoestijnen en vooral de wateren rondom ware schatkisten zijn. Het begon met de genadeloze walvisjacht die Hacquebord omschrijft als ‘dramatisch, verspillend en uitputtend.’ Tijdens onderzoeksreizen speurt Hacquebord naar voormalige walvisstations en analyseert hij aan de hand van ‘afvallagen’ als een archeoloog hoe de jagers in die onherbergzaamheid leefden en op welke wijze ze de felbegeerde, kostbare traan kookten uit de speklagen van de walvissen.

Op vernuftige wijze vervlecht Hacquebord heden en verleden. Zijn expedities voeren hem zowel naar het noorden als zuiden, hij bezoekt Spitsbergen dat lange tijd een ‘wetteloos’ niemandsland was waardoor robben- en walvisjagers hun gang konden gaan. Hij beschrijft met sprekende details het echec van Rotterdamse kooplieden die aan het begin van de 20ste eeuw een steenkolenmijn op Spitsbergen openden. Hij citeert uitvoerig de krant van 6 juni 1920, die hij abusievelijk NRC Handelsblad noemt, maar dat kan niet, het was in die tijd ofwel Nieuwe Rotterdamsche Courant ofwel Algemeen Handelsblad. Het steenkolenavontuur staat omschreven als ‘de expansiedrift van een jong bedrijf dat zijn armen wijd uitslaat.’ Uiteindelijk eindigt de onderneming in een drama: de arbeiders zijn nauwelijks bestand tegen de barre weersomstandigheden en de lange duistere maanden; sommigen worden gek.

Hacquebord schetst een somber beeld van de nabije toekomst. Ondanks alle idealisme en verandering in het denken over het gebruik van grondstoffen, mede ingegeven door het alarmerende rapport van de Club van Rome (1972), blijven walvisjagers en oliemaatschappijen actief én verwoestend in deze witte wildernissen. Hacquebord besluit met een beeld dat niets te raden overlaat: ‘De steenkoolwinning heeft blijvende littekens in het toendralandschap achtergelaten.’ En helaas, het zoeken naar olie gaat gewoon door. Want olie is de nieuwe goudmijn in de poolstreken.