Column

Ontbrilling

Steeds vaker zie ik bekenden om mij heen die vroeger een bril droegen en nu opeens niet meer. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de opmars van de contactlenzen, de laserapparatuur en de staaroperaties. Daar is niets mis mee, en iedereen is deze ontwikkeling van harte gegund (behalve de brilindustrie), maar het is misschien toch goed stil te staan bij de schok die dit teweeg kan brengen bij de argeloze toeschouwer.

Ik heb gemerkt dat die het er soms knap lastig mee heeft, als ik even voor mezelf mag spreken. Sommige mensen ken je al bijna een leven lang, ze zijn vergroeid met hun bril, het is een wezenlijk bestanddeel van hun gezicht geworden en doet als zodanig niet onder voor neus, mond of kin. Maar op een dag staan ze plotseling voor je met een – ik kan het niet anders uitdrukken – ontbloot gelaat; ze zijn niet meer zichzelf. „Waar is je bril?”, vraag je. „Niet meer nodig”, is het luchtige antwoord.

Het kan ook gebeuren dat je op straat gepasseerd wordt door iemand met een gezicht dat je vaag bekend voorkomt, te vaag om onmiddellijk in een jubelende groet uit te barsten. Je beperkt je tot een weifelende blik. De ander groet jou wél, al komt het ook voor dat hij beledigd doorloopt of doorfietst. Twintig meter verderop flitst het met verzengende kracht door je heen: „Maar dat was… zónder bril!”

Ik weet waar ik over praat want een poosje geleden was ik zelf degene die zich opeens zonder bril aan de mensheid vertoonde. Mijn oogarts had me voorspeld dat ik na de door hem te verrichten staaroperaties geen bril meer nodig zou hebben. Dat viel in de praktijk tegen. Zonder bril zag ik wel scherp, maar soms ook een beetje dubbel. Dus toch maar weer naar de opticien, die mij handenwrijvend uitlegde dat het ongemak alleen te verhelpen viel met een van zijn bijna onbetaalbaar goede brillen.

Dat klopte, maar het gevolg was wel een hopeloze verwarring over mijn uiterlijk. Eerst hadden de mensen moeten wennen aan mijn na vijftig jaar opeens brilloze kop („Klap gekregen, Frits?”), vervolgens zagen ze me weer terug in mijn oude gedaante. Ik merkte dat ze de neiging kregen schouderophalend aan me voorbij te gaan.

Het fenomeen van de ontbrilling valt me meer bij mannen dan bij vrouwen op. Misschien omdat ik er bij vrouwen al meer aan gewend was? Bij hen, met name bij jonge vrouwen, zie ik de laatste tijd zelfs een omgekeerde ontwikkeling: van brilloos naar bril. Het staat hun soms ook uitstekend dankzij al die mooie monturen die op de markt zijn. Dat gedichtje van Dorothy Parker („Wat mannen niet willen/zijn meisjes met brillen”) gaat allang niet meer op.

De ontbrilling bereikt ook, het kon niet uitblijven, bekende Nederlanders. Neem Remco Campert van wie ik altijd dacht dat hij met dat brilletje met ronde glazen geboren was; het hoort wat mij betreft tot het erfgoed van de Nederlandse literatuur. Toch zie ik hem de laatste tijd juist steeds zijn bril afzetten om een van zijn prachtgedichten met een naakt gezicht voor te lezen. En in een tv-reclame van de Volkskrant zag ik hem ook al ongebrild aanbellen bij een potentiële abonnee, die moet hebben gedacht: „Wie is dat in godsnaam?”

Campert zonder bril – het zal nodig zijn, maar jammer is het wel. Krantenmakers zullen nu al denken: moet hij straks met of zonder bril boven zijn in memoriam?

Maar gelukkig gaat hij nooit dood.