Ons denken is net zo plantaardig als dat van de plant

Darwin zelf is de dwarse filosoof Oudemans nog niet darwinistisch genoeg, zo blijkt uit zijn meest toegankelijke – en amusante – boek tot nu toe. Over ‘plantaardig’ denken en ‘botanisch racisme’.

Foto Thinkstock

Bomen knuffelen, om de warmte van de natuur te ervaren? Onzin. Bomen en planten zijn geen natuur ‘tegenover’ ons, maar wij zijn, inclusief ons hele handelen en denken, net zo natuurlijk, of zelfs ‘plantaardig’, als zij. Aldus filosoof Th. Oudemans, in het originele, curieuze en amusante boek Plantaardig, dat hij schreef samen met de archeoloog, darwinist en botanicus N.G.J. Peeters.

Planten en bomen, aldus Oudemans, zijn geen geestloze ‘machines’, tegenover mensen met ‘bewustzijn’. Al deze levensvormen zijn ‘complexe systemen die voortdurend energie moeten opnemen, deze moeten verwerken tot arbeid ten behoeve van het overleven, en als onbruikbare rest moeten afstoten’. Met een onvermijdelijk eindpunt: de dood, want ‘complexe organismen zijn er, als het ware, „om” dood te gaan’.

Op dit darwinistisch-genetische spoor zat Oudemans ook al in eerder werk, maar Plantaardig is er de culminatie van. Het is ook een opmerkelijke stijlbreuk met die eerdere, aforistische geschriften. Het boek is veel toegankelijker (een woord dat altijd vloeken leek in de kerk van Oudemans ) en bovendien geïllustreerd met talrijke kleurenfoto’s van bomen en planten, inclusief een van de auteur in zijn eigen bomentuin in het Groningse Wedde. Natuurliefhebbers kunnen hun hart ophalen, en krijgen een stevig gietertje filosofie mee.

Inhoudelijk ligt het boek in het verlengde van Oudemans’ Echte Filosofie (2002). We leven in tijden van grote ‘reducties’, wetenschappelijk (darwininisme) en technologisch. De filosoof omarmt die nieuwe paradigma’s, maar dusdanig radicaal dat hij ze als het ware van binnenuit langzaam laat kantelen: het darwinisme zelf is hem nog niet darwinistisch genoeg. Wij denken niet over de natuur, zoals Darwin meende, maar denken en spreken volledig in de natuur.

Arboretum

Oudemans zoekt die kwadratuur van het darwinisme in een ‘vegetatieve’ filosofie. Ook het denken, inclusief het zijne, is ‘plantaardig’, een permanente – en altijd vergeefse – strijd om energie en overleving. De taal van wetenschappers, filosofen, priesters of universitaire beleidsambtenaren, is een strijd om het bestaan waarin alles opkomt, bloeit en afsterft.

Zonder uiteindelijk doel of zin. Zijn arboretum maakte Oudemans duidelijk ‘dat de betekenis van mijn leven bestaat als niet eindigend streven naar doelen, terwijl het die betekenis niet kan hebben, omdat doelen nu eenmaal altijd wijken en uiteindelijk, vanwege dat onaangename incident – mijn dood – dat ertussen komt, toch echt niet gehaald zullen worden.’ Tegenvaller, zou je zeggen.

Toch is dit allesbehalve een treurig boek. Het leven van complexe organismen, mensen of bomen, is een niets ontziend ‘spel’ van ‘een zichzelf veranderend natuurkunstwerk’. Dat spel klinkt door in het enthousiasme waarmee Oudemans over planten en bomen schrijft. En in zijn geestige polemiek tegen het ‘botanisch racisme’ in Nederland, dat ‘autochtone’ bomen wil beschermen door ‘exotische’ te kappen. Niet Aristoteles of Descartes, of zelfs maar Heidegger, moet het daarbij ontgelden, maar de brochure Informatie- en Kennis Centrum Natuurbeheer.

Reikt de ambitie verder? Oudemans’ hyperdarwinisme lijkt ook een poging toch nog iets te bewaren van wat we van oudsher ‘filosofie’ noemen: reflectie van binnenuit op de werkelijkheid.

Door het darwinisme tot het uiterste te drijven, gloeit in elk geval aan de horizon iets op wat zich eraan lijkt te onttrekken: we kunnen inzien dat we worden ‘begoocheld’ door de natuur met de illusie van onze onsterfelijkheid. En door dat nuchtere inzicht kunnen we de eindigheid doorleven, ‘zonder compleet in de ban te blijven van de overlevingsroes’.

Met die radicale filosofie van de eindigheid gaat het Oudemans op de keper beschouwd nog steeds om ‘de verdeelde mens’, de titel van zijn wijsgerige proefschrift uit 1980, maar dan zonder de filosofische antropologie die hij in dat boek nog probeerde te ontwerpen. In plaats daarvan is nu een denken gekomen dat planten humaniseert en anderzijds het menselijk denken plantaardig maakt.

Met succes? Voor het curriculum biologie zal dit boek wat minder voor de hand liggen, maar in alle speelse radicaliteit zegt het wel iets over de positie van de moderne filosofie. Ooit ‘koningin der wetenschappen’, met de pretentie het fundament te leveren voor ware kennis, holt de filosofie nu met de tong op de schoenen achter haar voormalige onderdanen aan. Naturalisme, de opvatting dat de werkelijkheid een geheel is van natuurlijke processen, is dominant.

Zoetsappig humanisme

Oudemans kiest niet de vluchtheuvel van filosofen die zich daaraan proberen te onttrekken. Hij duikt bijvoorbeeld niet in het schuttersputje van de Lebenswelt, de ‘subjectieve’ menselijke ervaring, maar gaat de naturalistische confrontatie keihard aan. Of beter gezegd: hij speelt het spel vrolijk mee, voorbij elk zoetsappig humanisme dat hunkert naar ‘zingeving'.

Maar hoe vruchtbaar, of voedzaam, die aanpak is, blijft de vraag. Want wat blijft er zo voor de filosofie over, behalve een houding aannemen van tragikomische gelatenheid? Bovendien, het ‘over en weer tussen mij en een plant’, biedt kennelijk nog ruimte om een glimp op te vangen van de ‘oever’. Maar hoe kan dat, als ook Oudemans’ eigen woorden een blind spel zijn van evolutionaire krachten?

Filosoferen kan best zonder antropologie, maar niet zonder betekenis.