Niet iedereen wordt rijk van studeren

Veel studies leiden op tot vakkenvullen. Dat maakt het leenstelsel oneerlijk, vindt Leo Prick. Kies liever de beste studenten.

illustratie tjarko van der pol

Bij de verschillende debatten over het Sociaal Leenstelsel betoogde minister Bussemaker dat zich de afgelopen jaren in de samenleving een verschuiving heeft voorgedaan in het belang om te gaan studeren. Het belang van de gemeenschap zou zijn afgenomen, terwijl het persoonlijk belang van de student zou zijn toegenomen. Het zou dus logisch zijn dat de student meer en de gemeenschap minder zou bijdragen aan de kosten.

De minister onderbouwde dit standpunt met cijfers van het Centraal Planbureau, die aantoonden dat afgestudeerden de afgelopen jaren, in vergelijking met lager opgeleiden, steeds meer zijn gaan verdienen. Voor een meerderheid in de Tweede Kamer was dit een reden met het voorstel akkoord te gaan.

De cijfers waarop Bussemaker zich beriep, golden overigens de vijftien jaren van economische voorspoed die eindigden met de ondergang van de bank Lehman in het najaar van 2008. Daarvoor, tijdens de crisis van de jaren tachtig, werden de verschillen in beloning tussen hoog- en laagopgeleiden juist kleiner en hetzelfde zien we nu opnieuw.

De tijd dat hoogopgeleiden weer de winnaars worden op de arbeidsmarkt kan weleens lang op zich laten wachten. Tot die tijd komen er steeds weer nieuwe horden hoogopgeleiden bij die, in afwachting van een baan op eigen niveau, vakken vullen, in de horeca werken, of als zzp’er met losse klusjes een schamel kostje bijeen harken.

Potsierlijk

Gezien de belabberde arbeidsmarkt is het natuurlijk nogal potsierlijk de lening voor een studie te verdedigen als een goed renderende investering in jezelf. Dus gooide Bussemaker het, met haar wetsvoorstel eenmaal in de Eerste Kamer gearriveerd, over een heel andere boeg. Daar bleek Bussemaker het eigentijdse investeren in jezelf te hebben ingeruild voor het aloude en dus beter bij de leeftijd van de senatoren passende onderwijsdoel Bildung, een begrip waarvoor we geen goed Nederlands alternatief kennen, maar dat ik zou willen omschrijven als brede algemene vorming voor zelfontplooiing.

PvdA-senator Ruud Koole vond het verheugend dat de minister afscheid had genomen van ‘het doorgeslagen rendementsdenken’ en ‘het paradigma van de investerende student’. Zo liet deze – wonderlijk genoeg als kritisch omschreven – senator zich paaien, want het is natuurlijk vreemd dat een wetsvoorstel dat in de Tweede Kamer werd verdedigd met het argument van een goed renderende investering, in de Eerste Kamer wordt aangenomen omdat de minister nadrukkelijk afstand neemt van deze ‘verwerpelijke’ redenering.

Ik begreep dat het wetsvoorstel bedoeld was om een, in de ogen van de overheid, eerlijker verdeling te bewerkstelligen van de onderwijskosten tussen gemeenschap en direct belanghebbende, maar daar bleek het dus helemaal niet om te gaan.

Het Sociaal Leenstelsel leidt tot een tweeledige besparing. Ten eerste is dat afremming van de groei van het aantal studenten: vanwege de toegenomen kosten zal een deel afzien van een studie, of uitwijken naar het buitenland. En ten tweede: degenen die wel gaan studeren, zullen zelf meer gaan betalen. Het bespaarde geld gaat naar de instellingen die geacht worden daarmee de kwaliteit van hun onderwijs te verbeteren. En dit alles – en daar was het allemaal om begonnen – budgettair neutraal.

Diploma-inflatie

Wie zonder meerkosten de kwaliteit van het hoger onderwijs wil verbeteren, moet breken met het stompzinnige EU-idee dat de concurrentiekracht van Europa gediend is bij hoger onderwijs voor de overgrote meerderheid van de bevolking. Dat uitgangspunt kan niet anders dan leiden tot verlaging van het onderwijs-niveau en diploma-inflatie.

Niet iedereen met een havo- of vwo-diploma is vanzelf geschikt voor hoger onderwijs en bovendien heeft ook lang niet iedereen daar baat bij. Niet selecteren op financiële, maar op inhoudelijke gronden – zoals geschiktheid, interesse en motivatie – was een betere manier geweest om het aantal studenten te beperken. Werken met geïnteresseerde en gemotiveerde studenten leidt vanzelf tot beter onderwijs. Dat geldt niet voor werken met studenten die zich in de schuld durven steken.

Bussemaker had gelijk toen ze de senaat voorhield dat je met een mbo4-opleiding heel goed, en soms zelfs beter, terecht kunt op de arbeidsmarkt dan met een diploma van hogeschool of universiteit. Door financiële drempels op te werpen, in plaats van kwalitatieve, heeft ze hieruit een verkeerde conclusie getrokken.