Moet de wraak of de liefde u verlossen?

De onlangs vertaalde roman van deze Israëlische schrijver staat propvol personages en hun kleurrijke verhalen. Een beschavingsgeschiedenis in Israël in een tijdspanne van drie generaties.

Kibboets Lavie in Israël in 1950 Foto David Rubinger/HH

Vlak voordat de Hebreeuwse God de aarde wegens haar zonden verdrinkt in een zondvloed, somt de Bijbel de geslachtslijst op van de oervaders tussen Adam en Noach. Dat waren ‘de geweldigen uit de voortijd,’ zegt de Bijbel, ‘mannen van naam’. Veel meer dan dat komen we over hen niet te weten, maar het zullen harde patriarchen zijn geweest, met een eenvoudige en rigoureuze moraal waarmee niet gespot kon worden, barmhartig als het kon, meedogenloos als het moest.

Zo’n figuur lijkt de Israëlische schrijver Meir Shalev voor ogen te hebben gehad in zijn onlangs vertaalde roman Een geweer, een koe, een boom en een vrouw. De hoofdpersoon, Zeëv Tavori, behoort tot de eerste generaties landbouwpioniers in Israël. Hij is koppig, sterk als een beer, onverzettelijk in zijn eergevoel, desnoods wreed en gewelddadig. Wanneer hij als jongeman een nieuwe nederzetting vestigt omdat de door baron De Rothschild gefinancierde kolonie waarin hij opgroeide hem te verweekt geworden is, sturen zijn verwanten hem de geschenken die in de titel van het boek worden opgenoemd. Oud-testamentischer kan het bijna niet.

Direct aan het begin van de roman wordt Zeëv, inmiddels op hoge leeftijd, min of meer bij toeval vermoord. De rest van het boek is een lange terugblik op zijn leven – met een ontstellende ontdekking aan het einde. En op dat van zijn afstammelingen, vooral zijn kleindochter Roeta, die het grootste deel van het boek aan het woord is.

Net als Zeëvs vrouw heeft zij te maken met een ongenaakbare echtgenoot en een persoonlijke tragedie. Op een kampeertocht met zijn vader is haar zoontje door een slang gebeten en overleden. Vanaf dat moment zegt haar man geen woord meer, raakt haar niet meer aan, en beult zich als boetedoening alleen nog maar af met het zwaarste werk in de kwekerij van de familie.

De wraak

Hij doet dat twaalf jaar lang, als een soort moderne Jakob, die in het Oude Testament twee maal zeven jaar de kudden moest hoeden om zijn geliefde Rachel te verwerven. Hem verlost niet de liefde maar de wraak. Pas na de dood van ‘opa Zeëv’ te hebben vergolden, wordt hij voor zijn vrouw opnieuw de man voor wie zij ooit gevallen was en aan wie ze al die jaren is blijven terugdenken in verbitterde hunkering. Misschien wel zoals Rachel in het verhaal van Jakob.

Het is in tweede instantie dus helemaal niet zo zeker dat Zeëv de echte hoofdfiguur is van Een geweer, een koe, een boom en een vrouw. Zoals in vrijwel al zijn romans (er zijn er, naast boeken over de Bijbel, in het Nederlands al een stuk of acht vertaald) heeft Shalev zijn boek propvol gestopt met personages en hun verhalen, de een nog kleurrijker dan de ander. En Shalev is eerder een verteller dan een romancier. Persoonlijke diepte krijgt alleen Roeta, in haar lange gesprekken met een wetenschappelijk onderzoekster, over wier nieuwsgierigheid naar de ‘genderproblematiek’ van de oude landbouwnederzettingen zij zich op passende wijze vrolijk maakt.

Moraal

De postmoderne vluchtigheid van dat soort termen past dan ook slecht bij de Bijbelse tragiek en harde onverzettelijkheid waardoor het leven in dit boek gekenmerkt wordt. Mondjesmaat dringt de stadse moderniteit er, met haar gevoelige aandacht voor het innerlijk en zijn beleving, binnen. De moraal verliest maar langzaam haar rechtlijnige uiterlijkheid, waarin de daad belangrijker is dan de intentie en schuld (zoals die van Roeta’s ongelukkige echtgenoot) niet opzettelijk hoeft te zijn om toch verpletterend te zijn. Ook hij heeft de dood van hun zoontje niet gewild – maar hij moet boeten. Schuldig is hij niet alleen in zijn eigen ogen maar ook in die van zijn vrouw, die niettemin het modernste, ‘gesubjectiveerde’ personage in de hele intrige is.

Dat geeft dit boek iets onbestemds. Hoe schrijf je een roman, een genre dat vraagt om karaktertekening en zieleworsteling, over mensen wier innerlijk pas aan het ontluiken is? Tussen ‘opa Zeëv’ en Roeta ligt een hele beschavingsgeschiedenis, die in sneltreinvaart voltrokken wordt in de tijdspanne van drie generaties. Je voelt het wringen: hoe beschrijf je de één, hoe evoceer je de ander?

‘Lekker lezen’ is er bij Shalev dan ook niet bij. Hoe virtuoos hij zich ook steeds weer als verteller ontpopt, het boek wil maar geen eenheid worden. Pas in tweede instantie ontdek je dat dat ook niet kán. De beschreven werelden staan even ver van elkaar af als Roeta en haar grootvader, gevreesd en toch geliefd – en dus als de literaire genres waarom hun karakters vragen. En dan maakt bevreemding, soms verveling, bij het lezen langzaam plaats voor fascinatie.