Liever een peuter als koning dan een vrouw

Hoewel ze buitengewoon succesvol waren en de loop van de geschiedenis in hun land hebben bepaald, zijn ze door historici altijd onderschat: Hatsjepsoet en Isabella van Castilië. De reden? Ze hadden borsten en geen torso.

Het had een van de meer slapstickachtige scènes uit Indiana Jones kunnen zijn, maar in het Egyptisch Museum in Kaïro gebeurde het echt: iemand brak onlangs de baard van Toetanchamons ruim 3000 jaar oude dodenmasker, en plakte die er vervolgens weer aan met een tube epoxylijm. Was het de schoonmaker, een van de conservatoren, of – god verhoede – het hoofd van het renovatieteam zelf?

Zijn dodenmasker is één van Egyptes belangrijkste schatten, maar Toetanchamon zelf was geen indrukwekkend staatshoofd: hij had een klompvoet, liep rond met een stok en stierf op zijn negentiende aan ontstekingen en malaria. Dat hij toch tot de bekendste der farao’s behoort, komt alleen door het gelukkige toeval dat zijn graf in 1922 haast volledig intact werd aangetroffen.

Veel grootser, maar veel minder bekend, is een andere farao uit de achttiende dynastie, die maar liefst tweeëntwintig jaar regeerde, ongekende bouwprojecten van de grond kreeg, het leger professionaliseerde en een gevaarlijke maar succesvolle expeditie naar onbekend land initieerde. Hatsjepsoet heette ze, en ze was de eerste en enige vrouw die voor een lange periode succesvol over het oude Egypte heerste.

Waarom kennen we haar dan zo slecht? Het korte antwoord luidt: ze deed het te goed. Tijdens haar regeringsperiode floreerde Egypte. Er waren geen bloedvergieten, geen paleismoorden, geen grote sociale onrusten. Koningsdochter Hatsjepsoet was geen verleidster of intrigante, maar een leider die het politieke spel slim en strategisch speelde. Was ze een man geweest, dan was haar leiderschap, o ironie, de geschiedenis in gegaan als degelijk en conventioneel.

Met The woman who would be King schreef egyptoloog Kara Cooney lang niet de eerste Hatsjepsoet-biografie, maar wel eentje die nauwkeurig en genuanceerd uit de doeken doet hoe inventief haar gang naar de troon was. Een hooggeboren vrouw als zij werd koningsvrouw, moeder, hogepriesteres, maar geen politiek leider. Koningschap was in het oude Egypte een exclusief mannelijke aangelegenheid – er bestond niet eens een woord voor koningin.

Masculiene definitie

Die masculiene definitie van koningschap is te herleiden tot de allereerste god Atoem, ‘de ene’, voorvader van alle goden en farao’s. Atoem was niet alleen de scheppergod, maar had zichzelf bovendien geschapen uit zijn eigen zaad. Atoems eerste zoon Sjoe deed het vervolgens met zijn eigen zus Tefnoet, en zo ontstonden alle goden uiteindelijk uit één en dezelfde familie. De dynastieën die over het oude Egypte heersten volgden, als directe afgezanten van de goden, het voorbeeld. De zoon van een farao trouwde met zijn zus en als dat niet mogelijk was op zijn minst met een halfzus: om de reproductie op pijl te houden hield de farao er een uitgebreide harem op na. Door incest hield hij zijn bloedlijn zuiver en zijn macht legitiem. Dat het nageslacht er niet gezonder van werd, was een bijkomstigheid die voor Hatsjepsoet wonderlijk genoeg gunstig uitpakte.

Rond haar twaalfde kwam ze te trouwen met haar ziekelijke halfbroer Thoetmosis II, nadat haar twee volle broers al het loodje hadden gelegd. Ze kregen één dochter, Neferure, voordat ook Thoetmosis II zich bij de goden voegde. En dus verkeerde Hatsjepsoet op haar zestiende in de ongelukkige situatie weduwe te zijn zonder een zoon te hebben verwekt. Hertrouwen deed een koningsweduwe niet, en regeren al helemaal niet.

Men besloot een peuter naar voren te schuiven als nieuwe farao, een zoon van Thoetmosis II en een laaggeboren haremvrouw, in de hoop dat die lang genoeg in leven zou blijven om de bloedlijn voort te zetten. Het had Hatsjepsoet, niet meer dan de tante van deze nieuwe kind-koning, haar plaats in de geschiedenis kunnen kosten. Maar ze was intelligent, goed onderricht en vast van plan om haar familienaam veilig te stellen. Onmiddellijk eiste ze haar plek in als co-regent naast deze peuter. Ze verzamelde een aantal raadgevers om zich heen, maakte alle beslissingen in naam van het kind, en liet zich zo’n vijf jaar later tot co-farao kronen.

Er was, zo toont Cooney in haar biografie, nogal wat raffinement voor nodig om als vrouw de troon te eisen zonder daarmee volksopstanden te ontketenen. Hoe ze het voor elkaar kreeg? Door een combinatie van diepe religieuze overtuiging en een uitgekiende marketingcampagne.

Hatsjepsoet was de eerste farao in de geschiedenis om haar koningschap volledig te baseren op goddelijke openbaring. Er was een wonder gebeurd, zo liet ze optekenen in officiële verslagen, de god Amon zelf had haar uitverkoren. Al in de jaren voor haar kroning liet ze zichzelf prominent afbeelden in de tempels van Karnak, niet langer als ‘vrouw van’, maar als dochter van de koning en erfgename van de troon. Op die beeltenissen droeg ze, interessant genoeg, weliswaar de jurk van een vrouw, maar tegelijk de kroon van een koning. Heel gewiekst nam ze masculiene koningsnamen aan, die ze injecteerde met verwijzingen naar de godin Ma’at. In teksten over haar bewind werden de mannelijke en vrouwelijke vorm met elkaar afgewisseld, zodat er een wonderlijke hybride ontstond.

Over de jaren deed Hatsjepsoet steeds verder afstand van haar vrouwelijke identiteit. De peuter-koning aan haar zijde groeide op, en zou gauw oud genoeg zijn om daadwerkelijk mee te regeren. Om niet aan de kant geschoven te worden, had Hatsjepsoet een krachtig imago nodig en uiteindelijk liet ze zich ondubbelzinnig afbeelden als een man: geen borsten meer, maar een brede torso en een koningsbaard.

Kracht stond in het oude Egypte gelijk aan viriliteit; er was simpelweg nog geen manier waarop zich dat ook op een vrouwelijke manier kon manifesteren. Hatsjepsoet was haar tijd ver vooruit, maar jammer genoeg gold ook voor haar de wet van de remmende voorsprong.

Parallellen

Vrijwel gelijktijdig met Hatsjepsoets biografie, verscheen recentelijk Kirstin Downeys Isabella: the warrior queen, over Isabella van Castilië. Hatsjepsoet kwam in 1478 vóór Christus aan de macht; Isabella werd in 1474 na Christus tot koningin gekroond. Hoewel hun regeringsperioden bijna drieduizend jaar uit elkaar liggen, zijn er opmerkelijke parallellen te vinden tussen de levens van beide vrouwen.

Toen Isabella, zoals Hatsjepsoet op eigen initiatief, tot koningin van Castilië en León werd gekroond, had er al meer dan tweehonderd jaar geen vrouw meer op de troon gezeten. Net zoals Hatsjepsoet regeerde Isabella voor een opmerkelijk lange periode – lang genoeg om een vierentwintig generaties durende strijd tussen de moslims en de christenen te beëindigen, de moslims van het Iberisch Schiereiland te jagen, Columbus’ reis naar de Nieuwe Wereld te financieren en de religieuze Inquisitie vorm te geven.

Zoals de Egyptische goden Hatsjepsoet hadden uitverkoren, zo vormde de katholieke kerk de grondslag van Isabella’s bewind. Ze was diep religieus in een tijd dat het christendom, in Spanje en in de rest van de wereld, in een penibele situatie verkeerde. Het waren de late middeleeuwen, en niet alleen waren veel landen verwikkeld in oorlogen en burgeroorlogen, maar ook het Ottomaanse rijk rukte steeds verder op naar het westen.

Downey suggereert dat Isabella’s religiositeit voortkwam uit een onrustige jeugd: haar vader, koning Juan, stierf toen ze nog jong was, haar toch al ongelukkige moeder verzonk in een depressie. Het Castiliaanse koninkrijk was versplinterd door ruzies tussen edelen en koninklijke families, armoede en misdaad op het platteland. De jonge Isabella, die opgroeide in verschillende kloosters, vond houvast in de kerk en haar rituelen. Hoewel ze dol was op het Nieuwe Testament, was haar mentaliteit eerder Oudtestamentisch van aard. Zoals Downey constateert: ‘She was always more inclined to claim an eye for an eye than to turn the other cheeck.’

Van prinsessen als Isabella werd verwacht dat ze trouwden en voor nageslacht zorgden, maar niet dat ze daadwerkelijk macht uitoefenden. Ze leerde als meisje lezen, maar niet in het Latijn, de taal van de diplomatie. Haar grote inspiratie werd het verhaal van Jeanne d’Arc, die twintig jaar voor Isabella’s geboorte stierf en was uitgeroepen tot oorlogsheldin en martelares. Jeanne had de stem van God zelf gehoord, en haar militaire successen werden beschouwd als spirituele overwinningen. Het was precies deze combinatie van oorlogsvoering en goddelijke inspiratie, die ook Isabella’s regime zou kenmerken.

Waar Hatsjepsoet was gezegend met een rustig en welvarend tijdsgewricht, stond Isabella’s leven van meet af aan in het teken van chaos, oorlog en machtsstrijd die in bloederigheid en intrige niet onderdoen voor de betere plotwendingen in Game of Thrones.

Katholieke praal

Haar oudere halfbroer, koning Enrique – getrouwd maar openlijk homoseksueel – was een marionet van zijn raadgevers en van iedere knappe jongeman die hem wist te verleiden. Haar jongere broer Alfonso werd in zijn poging tot een coup vergiftigd door een medestander van Enrique, en Isabella zelf werd een keer of vijf uitgehuwelijkt voordat ze stiekem trouwde met Ferdinand II van Aragón. Ze was drieëntwintig toen ze vernam van Enriques dood, en aangezien haar echtgenoot in het buitenland was, nam ze het heft in eigen hand en liet zich, met veel katholieke praal, kronen tot koningin. Net als Hatsjepsoet begreep ze dat het belang van symboliek niet te onderschatten was.

Downey tekent een Isabella op die in grote mate onafhankelijk regeerde van haar man, die het grootste deel van de tijd niet eens in Spanje was. Mooi zijn de anekdotes over Isabella die even wegloopt van een oorlogsoverleg om te bevallen van een tweeling, en over het schaakspel dat de Europese benaming voor het beweeglijkste en machtigste stuk aan haar heeft te danken.

Downeys agenda is duidelijk: Isabella haar rechtmatige plek in de geschiedenis geven. In haar enthousiasme lijkt ze soms te vergeten hoe controversieel Isabella’s regime was, en hoe meedogenloos ze uit naam van het geloof andersdenkenden liet vermoorden. Nergens wordt ze echt kritisch of analytisch – wat in de Hatsjepsoetbiografie wél gebeurt – en dat is op z’n minst een gemiste kans.

Dat Hatsjepsoet en Isabella uitzonderlijke vrouwen waren, met een exceptioneel gevoel voor timing en het vermogen hun eigen voorwaarden te creëren, moge duidelijk zijn. Allebei waren ze pioniers en wegbereiders voor de generaties na hen, al is het anno 2015 nog altijd wachten op de eerste vrouwelijke premier van Nederland – eentje die de vrijheid heeft te regeren als een goddeloze vrouw.