Leeg

Dat ik ernaar uitzag, voelt ietwat ongepast om te zeggen. Het was meer dat ik vond dat ik erheen moest. Al heel erg lang. Ik heb het zelfs hier al een keer geschreven: „Nu ga ik echt naar Het Anne Frank Huis, hoor”, aldus ikzelf, meer dan een jaar geleden. Ik vond het onze plicht als Amsterdammer, als mens. Terwijl ik er zelf nog nooit geweest was en maar niet ging. Steeds als ik dreigde te kunnen, dacht ik dat er waarschijnlijk wel een nóg beter moment zou komen. En het ergste is nog: ik zag op Facebook voorbij komen dat je je deze week als Amsterdammer kon opgeven om gratis, na sluitingstijd en zonder wachtrij het Anne Frank Huis te bezoeken – en nóg ondernam ik niets, terwijl ik nota bene Het Achterhuis zowat integraal kan citeren, ik verschillende uitgaves van en over het dagboek en over Anne zelf heb, ik het toneelstuk heb bezocht, vele documentaires heb gekeken en ik haar afbeelding zelfs boven mijn bureau heb hangen.

Als ik het zo opschrijf klink ik als een geobsedeerde groupie. Ik geloof dat dat ook wel weer meevalt; wat ik er maar mee wil zeggen is dat het volstrekt onlogisch is dat ik nog nooit Prinsengracht 263 had bezocht – althans, niet in het echt; op internet dwaalde ik wel al eens door het virtuele 3D Achterhuis – en dat het idioot is dat het me in mijn schoot moest worden geworpen eer ik eindelijk over de daadwerkelijke drempel stapte. Een vriendin mailde me dat zij zich had opgegeven voor de speciale Amsterdammerdag, maar dat ze verhinderd was. Of ik niet wilde. Om precies te zijn schreef ze of ik niet ‘nog eens’ wilde. Hoewel ik deze avond een deadline en een kind had, begreep ik dat dit dat ene moment wel moest zijn. Ik regelde een oma en parkeerde even later mijn fiets tegen de politie-uitkijkpost er tegenover.

Een uur later stond ik weer buiten en was mijn ‘bucketlist’ iets korter. Dit was het dus. Hiervoor staan elke dag die eindeloze rijen. Dit is het waar die miljoenen bezoekers van over de hele wereld stuk voor stuk zo van onder de indruk zijn. En ik? Al jaren hadden van deze plek beelden door mijn hoofd gespookt, beelden die ik, nu ik het huis in het echt had gezien, acuut niet meer terug kon roepen om te vergelijken. Het waren grootse beelden geweest.

Wat ik werkelijk zag was: smalle trappen, een boekenkast, volle dagboekpagina’s, lege kamers. Alleen wat foto’s aan die vergeelde, behangen muurtjes.

Bij de virtuele tour zijn de kamers wel gemeubileerd, daarom schrok ik nu van de leegte. Leegte die tegelijkertijd beklemmend is, en de kamers zijn al niet zo groot.

Het Achterhuis is een van de indrukwekkendste boeken die ik ooit las. Het achterhuis zelf was, mede door mijn jarenlange opeengestapelde verwachtingen en fantasieën, toen ik er eenmaal was, vrij teleurstellend in zijn eenvoud. En juist dat is eigenlijk enorm indrukwekkend, besefte ik in de giftshop.