Hoe meer kranten, hoe meer zelfmoord

De jaren rondom 1900 waren een tijd vol taboes die overtreden moesten worden, met nieuwe kunstvormen tot gevolg. Twee boeken zetten deze bruisende en decadente wereld treffend neer.

Henri van Booven in 1901, als jonge priester, geschilderd door Carel de Nerée tot Babberich (1880-1909) Foto Louis Couperus Museum

‘Fin de siècle’ was eind negentiende eeuw een modekreet, vooral in Den Haag,waar een banketbakker in de Schoolstraat zelfs fin de siècle-taart verkocht. Het was een onweerstaanbare gedachte, dat het naderende einde van de eeuw de tijdgeest beïnvloedde, met decadentie alom tot gevolg. Achteraf zien wij de negentiende-eeuwse beschaving pas echt ten onder gaan met de Eerste Wereldoorlog. Daarom is het niet zo gek dat deze twee, geïllustreerde uitgaven, met beide fin de siècle in de ondertitel, eigenlijk gaan over de tijd rondom 1900.

In de bundel Onnoemelijke dingen wordt een tiental thema’s die toen omstreden waren, van interraciale relaties tot de broekrok, behandeld in even zo vele artikelen van wisselende kwaliteit. Interessant is het stuk van Ben de Pater over zelfmoord, waarvan men destijds meende dat die sterk in opkomst was. ‘Hoe meer treinen, telegrafen, post, kranten, brieven enzovoort er zijn in een land, des te groter is de neiging tot zelfmoord,’ aldus in 1881 de filosoof en latere president van Tsjechoslowakije Tomas Masaryk. Voor orthodoxe christenen gold zelfmoord als een zware zonde, die (bij mislukking) strafbaar moest zijn. De liberale politicus Sam van Houten, bekend van het Kinderwetje, keerde zich tegen de ‘drijfjacht op zelfmoordenaars’ en pleitte voor begrip en serieus onderzoek.

Taboes komen en gaan, en zijn nooit helemaal vergelijkbaar. Uiteindelijk kun je bijna alles onder een dergelijk thema vangen, al sleep je het er met de haren bij. Dat geldt zeker voor een verder heel lezenswaardig verhaal in de bundel over het ‘taboe op geld’ onder kunstenaars in het fin de siècle. Helleke den Braber beschrijft het dedain voor het slijk der aarde van de gevierde dichter Willem Kloos, die dan ook ongegeneerd de kas van het tachtigerstijdschrift De Nieuwe Gids leeg graaide – en kwaad werd als iemand zei dat hij hem al veel geld had geleend. Dat rijkere kunstenaars hun behoeftige vrienden steunden was bekend; aardig is het hier een lijstje te vinden met de elf vrij onbekende mecenassen, zakenlieden, advocaten, die met hun giften De Nieuwe Gids in stand hielden.

Vergeten tweetal

In Den Haag, Nederlands fin-de-siècle-stad bij uitstek, woonde niet alleen Kloos maar ook Louis Couperus, de grootste ster die het Nederlandse fin de siècle heeft voortgebracht. Twee jonge bewonderaars van hem waren Carel de Nerée tot Babberich (1880-1909) en zijn vriend Henri van Booven (1877-1964). De Nerée schilderde en tekende, Van Booven schreef – en zou later Couperus’ eerste biograaf worden. In een dun boek dat verschijnt bij een tentoonstelling in het Louis Couperusmuseum portretteert Sander Bink het nu vrijwel vergeten tweetal. Rond 1900 waren ze bekende figuren in het Haagse uitgaansleven.

De Nerée, over wie Bink een proefschrift voorbereidt, is een van de weinige Nederlandse symbolistische kunstenaars. Hij was geboren op het familiehuis van zijn vader in Babberich (Gld.), maar die vader overleed jong en zijn moeder, zelf kunstzinnig, trok met haar zonen naar de stad. Zij stimuleerde Carels eerste schreden op het artistieke pad, die overduidelijk beïnvloed waren door het werk van de symbolist Jan Toorop.

Ondanks hun artistieke dromen kozen beide jongemannen voor een veilige burgermansbetrekking. De Nerée ging werken bij Buitenlandse Zaken, Van Booven probeerde het in 1898/’99 op een handelspost in Belgisch Congo, zonder succes (in november kwam hij aan, in januari was hij alweer thuis, doodziek). Het verblijf zou hem wel zijn eerste literaire succes bezorgen: de vaak herdrukte roman Tropenwee (1904).

Cultboek

Begin 1899 leerden ze elkaar kennen. Samen maakten ze wandelingen en lazen ze romans zoals het ‘cultboek’ À Rebours van J.K. Huysmans. Met hun dandyeske kleding trokken ze de aandacht op dansavonden in het Kurhaus. Henri kocht The Early Work of Aubrey Beardsley (1899) en gaf dat aan Carel. De invloed van de beroemde Britse kunstenaar is terug te zien in de tekeningen die hij maakte bij Extaze van Couperus, een mystiek getinte roman over een niet-geconsumeerde liefde, die Henri en hij hevig bewonderden. Deze tekeningen zijn nu tentoongesteld in het Couperusmuseum, net als De Nerées sombere portret van Van Booven ‘als jonge priester’.

In 1901 werkte hij een tijdlang op het consulaat in Madrid, waar Van Booven hem opzocht. Toen openbaarden zich de eerste barsten, zowel in de vriendschap, als in de gezondheid van De Nerée. Hij kreeg tbc (waaraan hij in 1909 zou overlijden). Zijn nieuwste werk, dat steeds buitenissiger was geworden, beviel Van Booven niet erg, wat de vriendschap niet ten goede kwam.

Henri van Booven stichtte een gezin, ging in Hilversum wonen en werd een productieve journalist en schrijver. In zijn romans treedt steevast een figuur op die herinnert aan zijn jonggestorven jeugdvriend. Een jaar na de dood van De Nerée, in oktober 1910, werd in de Haagse Kunstkring een tentoonstelling aan zijn werk gewijd, die meer bewondering oogstte dan hem bij zijn leven ooit ten deel was gevallen.