‘Hoe is uw energie-level sinds u bent gevallen?’

Lies (92) wil de wijkverpleegkundige ontlasten.

Lies (92) is vorig jaar gevallen in de keuken. Ineens was ze onthand. Ze kon niet meer douchen, lopen ging lastig en ze was vaak duizelig. Ze had zorg nodig: haar benen werden een paar keer per week opnieuw gezwachteld en elke dag kwam er een verpleegkundige om de wonden te verzorgen.

Inmiddels gaat het een stuk beter. Ze heeft alleen nog hulp nodig bij het aan- en uittrekken van haar steunkousen. Als vanuit de keuken de fluittoon van de waterketel klinkt, staat ze op. Wijkverpleegkundige Caroline Smeets stelt voor de thee te halen, maar daar wil Lies niets van weten. „Ik moet lopen, zeggen jullie altijd.” Smeets komt de zorg van Lies bespreken.

Smeets: „Omdat de zorgwetten zijn veranderd, moeten we van de zorgverzekering gaan herindiceren. Dat betekent dat we een verpleegkundige diagnose stellen en de zorg bepalen. We kijken wat u zelf nog kunt, of wat uw omgeving kan doen, en welke zorg daarnaast voor u noodzakelijk is. Dus, hoe voelt u zich?”

Lies: „Voor die val voelde ik me fitter dan nu. Ik ben wat voorzichtiger. Met lopen bijvoorbeeld, vooral met de sneeuw buiten. De buurman heeft gelukkig mijn stoepje geveegd. Ik heb er zelf nog een beetje zout op gestrooid. Het huishouden kan ik niet meer. Vroeger wel, voor die val. Toen was ik zelfstandig.”

Smeets „Maar het gaat al wel veel beter toch? U doucht zelf, u slaapt weer boven, het bed dat beneden stond is weg. En u heeft daar zelf de regie in genomen. ‘Dat bed kan wel weg’, zei u.”

Lies: „Ja, Ik wilde niet afhankelijk worden. En ik kon zelf weer naar boven lopen. Dan hoef ik toch niet beneden te slapen.”

Smeets: „Hoe is het met uw energielevel?” Lies: „Ik moet m’n energie spreiden. Het is wel langzaam beter geworden. Maar ik denk niet dat ik terugkom op mijn oude niveau.”

Smeets: „U bent wel realistisch. En u hield vocht vast in de benen, daarom krijgt u steunkousen. Hoe gaat dat?” Lies: „Ja, die steunkousen. Vanochtend keek ik, toen waren mijn benen mooi dun.”

Smeets: „Het lijkt of er sinds de steunkousen wel verbetering is, of niet? U gaf zelf al aan dat we in het weekend de steunkousen niet hoeven komen aan te trekken.”

Lies: „Nee ik wil jullie ook een beetje ontlasten. We moeten allemaal wat minder doen. Maar meerdere dagen achter elkaar zonder, dat kan niet. Misschien kan ik verderop in de week nog een dagje zonder.”

Smeets: „We hebben geprobeerd of u met hulpmiddelen ze wel zelf aan kreeg, maar dat lukte niet, hè?”

Lies: „Dat ging helemaal niet.”

Smeets: „Verder afbouwen zie ik niet zo zitten. Wat we misschien wel kunnen doen, is uw thuishulp instrueren. Wat zou u daarvan vinden?”

Lies: „Dan zou ik haar even moeten vragen of ze dat wil. Op vrijdagen.”

Smeets: „En voor andere dingen krijgt u veel hulp uit de buurt toch? Iemand van het Rode Kruis?”

Lies: „Ja, die woont daar verderop. En via de kerk heb ik veel contacten. Boodschappen worden samen met de huishoudelijke hulp gedaan. En elke zondag voor de kerkdienst word ik opgehaald en teruggebracht. Dat heeft de dominee geregeld. Leuk hoor, kunnen we in de auto nog kletsen.

„Dat vind ik trouwens bij die steunkousen ook prettig. Dan heb ik ’s ochtends en ’s avonds even een praatje als de hulp komt. Dan blijf ik een beetje op de hoogte.”

Smeets: „Ik vind het heel goed van u, dat netwerk, en dat u zelf zoveel regelt.”

Ze slaat de map dicht. Het gesprek is afgelopen.