Hel en verdoemenis in Almere

De wereld vergaat, maar Almere blijft bestaan – in een giftige mist althans. En daarna komen bizarre personages voorbij. Toch houd je, na lezing, meer van Almere dan ooit tevoren.

Tekening Paul van der Steen

Als Renate Dorrestein er niet zelf over begonnen was, zou het waarschijnlijk niemand zijn opgevallen. Na het voltooien van De stiefmoeder (2011) zat zij een tijdlang in een impasse. Het schrijven van een volgende roman die De schoondochter had zullen heten, wilde maar niet vlotten. Voordat het tot de lezers goed en wel was doorgedrongen dat er een probleem was, had Dorrestein (1954) er al een boek over geschreven.

Met De blokkade (2013) was het probleem ook eigenlijk alweer opgelost, al was het dan geen roman. De schrijfkramp waaraan ze leed, zo bleek, had vooral een psychische grond: de nog altijd niet helemaal verwerkte zelfmoord van haar jongste zus. Ze dacht dit ‘spook’ met Het perpetuum mobile van de liefde (1988) en met verschillende dodelijke valpartijen in latere romans overwonnen te hebben, maar het bleef haar achtervolgen. Ze wist nu, na De blokkade, dat ze een keer een ‘wrakende’ roman zou moeten schrijven, zoals ze het ergens noemde. Ze zou eens en voor al duidelijk moeten maken wat zelfmoord doet met de nabestaanden. In het gunstigste geval zou ze op deze manier zelfs ook zelfmoord kunnen voorkomen.

Na het nogal enthousiast ontvangen impasse-tussendoortje pakte Dorrestein de draad weer op. En nu, ruim een jaar later, is er Weerwater, haar nieuwe roman. De vraag is natuurlijk of hier van ‘wraking’ kan worden gesproken. Ik denk eigenlijk niet dat dit het ultieme anti-zelfmoordboek is geworden, al komt er wel een traumatisch zelfmoordgeval in voor.

Een van de figuren die wij hier leren kennen, is Dennis. Door omstandigheden is hij er nog maar net achter gekomen hoe zijn vader ooit aan zijn eind kwam. Niet door een ongeluk, zoals zijn moeder altijd beweerde, maar door zelfmoord. Dennis raakt door deze wetenschap flink van slag. Hij voelt zich besmet, schuldig zelfs, ook al speelde het drama zich al voor zijn geboorte af. Hij brengt maar liefst drie hele jaren als een kluizenaar door, voordat hij zich, gelouterd door nieuwe inzichten, weer onder de mensen durft te begeven. Na deze beproeving wordt hij wel beloond: hij krijgt een relatie met het liefste meisje van de hele stad.

Zeep en shampoo

Dennis is niet de enige die in Weerwater op de proef wordt gesteld. Dorrestein brengt in deze avonturenroman een flinke menigte op de been, die voornamelijk uit vrouwen bestaat en zich in uiterst primitieve omstandigheden moet zien te redden. De mensen zijn verstoken van alles wat het leven aangenaam maakt, zoals voldoende eten en kleren, zeep en shampoo, internet en telefoon, winkels en uitgaansmogelijkheden.

De roman begint nog heel kalmpjes. In het eerste hoofdstuk vertelt hoofdpersoon Renate Dorrestein aan haar naasten dat zij een schrijfopdracht heeft gekregen. Zij gaat een roman schrijven over een stad met een slecht imago: Almere, een stad waar menigeen nog niet dood gevonden zou willen worden. Maar Dorrestein grijpt de opdracht met beide handen aan, in de hoop zo van haar al twee jaar durende schrijfkramp af te komen. Op een zomerdag in augustus neemt ze haar intrek in de wijk De Fantasie, in het centrum van Almere. Daarna volgen de gebeurtenissen elkaar snel op. God schiep de aarde, zoals bekend, in zeven dagen. Maar Dorrestein breekt hem hier in een enkele dag weer nagenoeg af.

Eerst is er een verschrikkelijk noodweer, daarna een explosie en vervolgens is alles en iedereen weg. Alleen Almere is er nog en degenen die op de dag van de ramp in Almere waren. ‘Het was alsof een reuzenhand een kolossale vuilnisemmer over de stad had uitgestort’, lezen we. De ontreddering is groot, want niets werkt meer en iedereen mist minstens de helft van zijn familie, als hij of zij al niet wees is geworden. Een natuurkundig niet nader verklaarde, zwavelachtige mistdamp omgeeft Almere. Wie die damp probeert te trotseren, komt jammerlijk om. Niemand van de ongeveer vijfduizend overlevenden kan dus nog weg.

Met deze zelf geschapen puinhoop kan Dorrestein wel uit de voeten. In twintig vlot weg lezende, jolig getoonzette hoofdstukken worden we bijgepraat over een inderhaast opgericht crisisteam, over een soort corveeploegen die Naaste Families worden genoemd, over baby’s die maar niet geboren willen worden en over ontvluchte gevangenen die de stad onveilig maken.

Snufje jaloezie

Als vanouds brengt Dorrestein hier mensen samen en zet ze hen, als haar dat goed uitkomt, ook weer tegen elkaar op. Een snufje jaloezie hier, een dosis opofferingsgezindheid daar. Voormalige gevangenisboeven ontpoppen zich tot brave, sturende burgers, terwijl voormalige bestuurders de macht juist gelaten uit handen geven. Een meisjesbaby die zomaar uit het niets verschijnt, als een vrouwelijk christuskind, zorgt nu eens voor algehele verbroedering, dan weer voor onderlinge haat en nijd.

De vraag is wel: wat heeft Dorrestein met deze leuk verzonnen, maar ook wel wat malle roman precies te bieden?

Weerwater, vernoemd naar de grote recreatieplas in het centrum van Almere, houdt een wat eigenaardig midden tussen harde sensatieroman en softe zedenschets, tussen volwassen thriller en zoetsappig jeugdverhaal. Alles heeft hier iets te nadrukkelijk twee kanten. Dennis, de zoon van de zelfmoordenaar, is enerzijds een stoere jongen (‘Dennis the menace’), maar richt ook in het geheim een Maria-altaartje op voor zijn omgekomen naasten. Als halfnaakte barbaren weer eens op hun wilde paarden dood en verderf komen zaaien, dan haast de zachtmoedige Safae-met-hoofddoek zich om te verklaren dat in ons allemaal een barbaar schuilt en dat we niemand zomaar mogen veroordelen.

Vlees noch vis. Dat is mijn eindindruk van dit Almeerse spektakel. Dorrestein weet ons driehonderd bladzijden lang aangenaam te vermaken met de belevenissen van een aantal padvinderachtige types, maar echt boeiend willen ze niet worden. Daarvoor zijn ze net allemaal wat te schematisch en passen ze net iets te goed in het wereldverbeteridee van Dorrestein. Er is maar één personage, als je dat zo kunt noemen, dat mij dierbaar is geworden. Dat is de stad Almere zelf, met zijn Weerwater, zijn vaarten en wijken, zijn lucht en licht, zijn groen en zijn bijzondere gebouwen. Die worden door Dorrestein met zoveel onverdeelde sympathie, ja zelfs liefde beschreven, dat ik mij al snel gewonnen moest geven. De bewoners zijn inwisselbaar, of ze nu uit Buiten, Poort, Haven of Hout afkomstig zijn, maar Almere staat voor mij nu wel voorgoed op de kaart.