Hameren op je jeugd, op je verslaafde vader, op je Duvels

De scène: een man kijkt toe hoe een vriend snoeihard omver wordt gereden door een stadsbus. Draagt de man op enige wijze schuld aan het ongeluk? Nee. En toch snelt hij niet toe om zijn vriend te helpen. Even later verstopt hij zich zelfs om toch maar zo min mogelijk met het voorval te maken te krijgen.

Je zou het misschien niet denken, maar de schijnbaar onverklaarbare apathie van de man is voor de lezer van Hallo muur volstrekt begrijpelijk. Zelfs als in diezelfde man verderop in het boek de gedachte voorbijflitst een kind van een flat te gooien, is walging of afkeer niet eens de eerste reactie die zich in het hoofd van de lezer aandient. Blijkbaar is Erik Jan Harmens, de schrijver en hoofdpersoon van het boek, er in geslaagd zijn verre van sympathieke ik zo dicht bij je te brengen dat je hem begrijpt en toelaat.

In het begin van het boek wijst daar nog niet veel op. Deze autobiografische roman over de ellende die Harmens in zijn leven meemaakte, met als rode draad een alcoholverslaving, vangt daar veel te onbehouwen voor aan. Mooi donkerzwart materiaal allemaal, denk je dan, maar waarom is het niet in een roman ingebed die méér aan de orde brengt dan je eigen privésores?

Maar Harmens, wiens poëzie al even doornig en recht-voor-de-raap is, hamert door. Want dat is het goede woord voor zijn stijl: hameren. Hij hamert op zijn jeugd met een tevens aan alcohol verslaafde vader; hij hamert verder op zijn eigen eerste dronkenschappen en hij hamert af op de totale afhankelijkheid van Tripels, Duvels en wijn. Tussendoor sterft zijn vader, komt dus die vriend onder de bus, wordt er een gehandicapt kind geboren en belandt hij in een scheiding.

Het wordt er allemaal in alle karigheid doorheen gejaagd, maar je krijgt onderhand wel degelijk een indruk van waarom het zo ging en niet anders. Gaandeweg dringt het besef zich op dat Harmens’ woorden niet alleen verslaving behandelen, maar ook de verslaving belichamen: we zitten met hem in een koker waar geen liefde, poëzie of andersoortige troost tot doordringt. Nog een glas, nog een hoofdstuk. Door. De drinker vergeet dat hij zichzelf blust. Net zo lang tot het boek uit is of Harmen dood is.

Voor iemand die zo lang vastzat in een ritueel van zelfdestructie en realiteitsontwijking is fictie al snel te leugenachtig, zoveel is duidelijk. Een onaangenaam boek, maar wel eerlijk en met een duidelijke winnaar.