Dorps Amsterdam moet leren van Rotterdam

Wim Kamerman verhuisde terug naar Amsterdam en mist de ruimte.

Toen ik zo’n 35 jaar geleden als geboren en getogen Amsterdammer naar Rotterdam verhuisde, werd ik in mijn omgeving meewarig aangekeken. Verhuizen naar zo’n mistroostige uithoek van het land, terwijl Amsterdam toch het centrum van de wereld was? Nu ik na lange tijd van Rotterdam naar Amsterdam ben teruggekeerd, bleek in die houding niets veranderd te zijn. Amsterdam wordt door ‘echte’ Amsterdammers – de spraakmakende witte elite – nog steeds gezien als het centrum van het heelal.

Die arrogante, naar binnen gerichte kijk op de wereld, viel me voor het eerst weer op na mijn terugkeer. De ernst waarmee veel Amsterdammers over de voortreffelijkheid van Amsterdam spreken, contrasteerde scherp met de lichte, speelse toon in de gesprekken die ik met mijn Rotterdamse vrienden had over 010 vs. 020.

Amsterdam is een heel prettige plaats om te wonen, het culturele voorzieningenniveau is onmiskenbaar hoger dan dat van Rotterdam. Er staan prachtige musea, theaters en concertzalen, met interessante opvoeringen, bijna alle belangrijke films kun je zien. In Rotterdam moet je daar meer moeite voor doen, soms zelfs naar Amsterdam reizen.

Daar staat tegenover dat de drang om overal bij te zijn, alles te zien, aan alles mee te doen tot een enorme belasting van de stad leidt. De stad is er eigenlijk te klein voor. De grote stromen toeristen maken het nog erger. Amsterdam is vol, letterlijk vol. Die overbelasting van de stad zal er ook toe bijdragen dat de basishouding van veel gebruikers van de openbare ruimte in de stad er een is van permanente verontwaardiging. De kans dat je onderweg in de stad uitgescholden wordt, nadert de 100 procent.

De stad, zeker het centrum, raakt overbelast. Een beetje rommeligheid is onvermijdelijk, maar de bereidheid van bewoners en bestuur om chaos, vervuiling en verrommeling van de openbare ruimte te accepteren als ‘horend bij het anarchistische Amsterdam’ is verbazingwekkend. Amsterdam loopt het gevaar een ontoegankelijk samenraapsel van overbelaste straten en pleinen te worden.

In mijn beleving is Rotterdam opener, schoner en ruimer. Natuurlijk ligt er in Rotterdam ook vuil op straat en kleef je aan het trottoir vast door de kauwgom. We weten dat de ruimere opzet van Rotterdam het gevolg is van het bombardement van mei 1940. Maar dat nadeel is nu – vergeleken met het compacte en dichtbebouwde Amsterdam – wel een voordeel geworden.

De oplossing lijkt mij voor Amsterdam te liggen in veel duidelijker keuzes voor de manier waarop de stad functioneert: voorrang voor fiets en openbaar vervoer, terugdringen van gemotoriseerd verkeer (dus ook die vermaledijde scooters), gekoppeld aan uitbreiding van nieuwe vormen van elektrisch vervoer, maar ook het spreiden en versterken van hotspots buiten het centrum. Plekken als De Hallen in de Kinkerbuurt, de noordelijke IJ-oever zijn interessante voorbeelden, maar waarom kunnen de westelijke tuinsteden, de Bijlmer (dat is voor de import-Amsterdammers Amsterdam Zuidoost) en IJburg (nu toch vooral bekend bij bewoners) niet veel meer in beeld komen?

En vooral, leer ook van Rotterdam! Daar praten ze niet alleen, maar ze doen het ook. Er staan nu imposante en iconische bouwwerken, niet allemaal even geslaagd, maar wel indrukwekkend: de Erasmusbrug, de nieuwe Markthal, het station, De Rotterdam, de opgestoken vinger van Rem Koolhaas. Waar blijft in Amsterdam de fietsloopbrug over het IJ, wanneer vormen Damrak en Rokin een wandelboulevard, waar je niet langs een aaneenschakeling van toeristenwinkels, gokhallen en laagwaardige horeca loopt?

De oproep van Wim Pijbes, directeur van het Rijksmuseum, om de stad weer aantrekkelijk te maken, was me uit het hart gegrepen. En nu ik het toch over het Rijksmuseum heb, de openstelling van de onderdoorgang voor fietsers vind ik een bewijs voor mijn opvatting dat de dorpse mentaliteit van Amsterdammers tot nu toe verhindert dat deze stad echt een stad wordt. De bereidheid van opportunistische bestuurders om te buigen voor een kleine, hardnekkige actiegroep die de onderdoorgang voor fietsers als het nieuwste mensenrecht beschouwt, vond ik schokkend. De mogelijkheid om een Amsterdams museum van wereldfaam een toegang met allure te laten bouwen is zo om zeep geholpen.

De belasting van Amsterdam door het imposante verleden dreigt de stad lam te leggen. Ik zou zeggen: steek iets op van de open, doelgerichte en prettig concrete houding van Rotterdammers; doe niet iets na, maar laten we zelf bedenken hoe de stad vitaler, schoner en diverser in kwaliteit kan worden. Cultiveer geen verschillen, maar maak gebruik van de eigen kwaliteiten van beide steden. Roep het concept Randstad Holland weer in leven; Amsterdam, Haarlem, Den Haag, Rotterdam zijn te klein om op eigen kracht een krachtig stedelijk geheel te vormen. Samen staan we er beter voor. En Feyenoord wordt kampioen – over een tijdje.