Subtiel tussen figuratief en abstract in

Carla Klein schildert altijd naar foto’s, maar een fotorealistische schilder is ze niet. Sterker nog: bij de vier grote doeken die Klein nu bij Annet Gelink exposeert is het moeilijk vast te stellen waar je precies naar kijkt. Je ziet een landschap, iets van een hutje, een horizon en een verdwijnpunt en je ziet ook dat alle vier de doeken vermoedelijk zijn gebaseerd op dezelfde foto. Maar is die scheve lijn bovenin een autoruit? Wat moet ik me voorstellen bij de verticale strepen aan de onderkant? En vooral: waarom zijn de kleuren van de doeken zo verschillend – twee zijn er egaal oranje, een rood, terwijl er één is uitgevoerd in min of meer ‘realistische’ kleuren. Waarom?

Toch lijkt dat laatste de ‘clou’ van deze serie: Kleins nieuwe werken gaan net zozeer over fotografie als over landschap of schilderkunst. Dat besef dringt pas tot je door als je goed naar de ‘rode’ kijkt: dat zou heel goed een foto kunnen zijn in het rode licht van de doka (Klein ontwikkelt haar eigen foto’s). Daarmee besef je dat je niet zozeer kijkt naar schilderijen van landschappen maar van foto’s (dahaag Luc Tuymans) en dat de variaties zijn bedoeld om de toeschouwer te laten denken over de manier waarop een beeld betekenis krijgt, welke informatie je nodig hebt, in hoeverre beelden worden gemanipuleerd – zowel door de toeschouwer als door de kunstenaar.

Het mooie is dat Klein daarbij heel subtiel het midden tussen figuratie en abstractie inneemt: de verticale strepen aan de onderkant bijvoorbeeld, hoe onduidelijk ook, verwijzen op een slimme manier naar de Amerikaanse traditie van het abstract-expressionisme. In het seriematige zit echter ook de zwakte: zonder onderlinge vergelijking zijn de ‘monochrome’ doeken eigenlijk vrij saai, ze hebben hun soortgenoten te hard nodig om tot leven te komen. Maar ze worden wel als afzonderlijke werken gepresenteerd en verkocht. Daar zou Klein iets op moeten vinden – soms kun je ook te veel aan de verbeelding van de toeschouwer overlaten.