Stap naar verzoening op Balkan

Genocide, of volkerenmoord, geldt als het ernstigste misdrijf in het internationale recht. Maar deze week is opnieuw gebleken dat zelfs bij massale slachtpartijen en verdrijving van bepaalde bevolkingsgroepen moeilijk te bewijzen kan zijn of er juridisch sprake is van genocide, zoals omschreven in de Genocide Conventie van 1948.

Het Internationaal Gerechtshof in Den Haag bepaalde dinsdag dat niet bewezen is dat Servië en Kroatië zich aan volkerenmoord hebben schuldig gemaakt in de bloedige oorlog die ze begin jaren negentig tegen elkaar voerden. Bij die oorlog (1991-1995) kwamen zo’n 20.000 mensen om het leven, vele honderdduizenden werden uit hun huizen verdreven.

Beide landen verweten elkaar genocide. Eerst bracht Kroatië de regering in Belgrado voor het Internationaal Gerechtshof, de rechtbank van de Verenigde Naties die zaken tussen landen behandelt. Vooral de verwoesting van de stad Vukovar in 1991 en de ‘etnische zuiveringen’ in die begintijd van de oorlog stonden daarbij centraal. Servië op zijn beurt bracht in 2010 voor hetzelfde hof een zaak tegen Kroatië aan wegens genocide. Daarbij ging het om het geweld tegen (en de verdrijving van) de Servische minderheid toen de Kroaten, tegen het einde van de oorlog, de provincie Krajina heroverden.

Beide landen hebben wel ernstige misdaden begaan, aldus de president van het hof. Maar dat ze ook de opzet hadden om de andere etnische groep, of een aanzienlijk deel daarvan, uit te roeien is volgens het hof niet bewezen. En daarom kan het zware oordeel ‘genocide’ niet worden geveld (wat eerder wél gebeurde in verband met de moord op 8.000 moslims in Srebrenica, in Bosnië).

Het Internationaal Gerechtshof heeft dinsdag een evenwichtige uitspraak gedaan. De twee landen kunnen elkaar nu niet meer verwijten genocide te hebben gepleegd op elkaars bevolking, maar dat ze vrijgesproken zijn van de gruwelijke misdaden in die jaren kunnen ze evenmin beweren.

Hiermee is niet alleen een lange juridische strijd afgesloten, de politieke toenadering tussen de twee landen kan er ook een impuls door krijgen. De relatie tussen EU-lid Kroatië en kandidaat-lid Servië is afgelopen jaren al een stuk minder vijandig geworden. Maar de wonden van de oorlog zijn zeker nog niet geheeld en de gevoeligheden met betrekking tot de oorlog blijven over en weer groot.

Het oordeel van het hof is bindend. Beide regeringen zijn ook zo verstandig geweest nog eens met zoveel woorden te zeggen dat ze het accepteren. Dat is een belangrijke stap op weg naar normalisatie van de betrekkingen – en uiteindelijk verzoening.