Paranoia in het paradijs

Inherent Vice is de nieuwe film van regisseur Paul Thomas Anderson, bekend van The Master en There Will be Blood. In zijn nieuwe film speelt Joaquin Phoenix een detective in een permanente drugsroes.

Een laatste avondmaal met pizza in Inherent Vice. foto Warner Bros. Pictures

Great. No girls.” Als veteraan van drie ‘junkets’ met acteur Joaquin Phoenix zie je het meteen: dit is de neurotische versie. De in het zwart gehulde Phoenix praat in hotel Bristol, Parijs, over zijn rol als hippiedetective Doc Sportello in Inherent Vice. Zijn ogen schieten door de kamer. Hij steekt een sigaret op. Gaat op jacht naar een asbak. Duikt ineen aan tafel, lichaam half naar de deur gedraaid, alsof hij wil ontsnappen. Wat hij ook wil; na veel „uhrr, ahh ... dunno” en een enkel lucide antwoord lanceert hij zich na een kwartier plots met „oké, bedankt!” naar de uitgang.

Phoenix wordt heel nerveus van pers, zo is bekend. In 2012 gutste het zweet hem over de rug in Venetië na The Master, al speelde een wilde nacht met zijn evenmin fris ogende tegenspeler Philip Seymour Hoffman daar mogelijk een rol. In Rome trof ik een idioot geklede Phoenix in 2013 in klein gezelschap voor Her: daar was hij vrij sereen, op en enkel dreigend „ik loop nú weg” na. Verbazingwekkend dat juist hij zich in de pseudodocumentaire I’m Still Here (2010) een jaar lang tot prooi van paparazzi maakte door baard en vetrollen te laten staan en een zenuwinzinking te fingeren. Phoenix koestert zijn angst.

Probeer het ook van zijn kant te zien. Je stapt een hotelkamer binnen, zitten daar zeven Europese heren met baardjes. Wat is dit? De wijzen van Zion? De zeven dwergen? Ze kijken je allemaal gespannen aan, voorovergebogen, en stellen heel rare vragen. Hoe de 40-jarige acteur zich de jaren zestig herinnert. Huh? Links worstelt een Franse baard een minuut met de uitspraak van „melancholic”. Rechts priegelt een Griekse baard manisch lettertjes in een piepklein blokje. Weg hier!

Niemand kent de schrijver

Je hoopt maar dat dit eerste persgesprek van deze middag Joaquin Phoenix in de juiste stemming brengt voor Inherent Vice, een film die eveneens nevelig, paranoïde en absurd is. Phoenix speelt nu eens geen gekweld of eenzaam personage, maar detective Doc Sportello, met zijn hoed en bakkebaarden een kopie van Neil Young, die vrij goed in zijn vel zit in het Los Angeles anno 1970. Doc kent iedereen. Komt overal. Is altijd stoned. Maar zijn stad staat op een kantelpunt: de beloftes van de jaren zestig, van vrijheid, liefde en bewustzijnsverruiming slaan om in consumptie, woede en paranoia.

„Het is zo’n interessante periode”, zegt Phoenix. „Hoe was het gelopen zonder al die politieke moorden en repressie? Bij de hippies was het zo dat je met de juiste taal en codewoorden automatisch een brother was, weet je. En dan wordt die ene leuke hippie gearresteerd met een zak wiet, dreigt twintig jaar celstraf te krijgen en geeft hij al zijn vrienden aan. En zo kruipt de paranoia dat paradijs binnen. Vreselijk, want ze voelden zich één grote familie, een beweging die de wereld ging veranderen.”

Dat is ook voor regisseur Paul Thomas Anderson (44) de kern van Thomas Pynchons labyrintische roman Inherent Vice. „Een goede vriend van me had hippieouders. Als zij begonnen over de jaren zestig, rolden we met onze ogen en gaapten. Nu vind ik dat kortzichtig. Ik ben van 1970, een generatie zonder illusie, maar ik besef nu dat zij wel iets echts verloren. Ze geloofden dat alles anders zou worden. And they blew it. Dat zit ze nog altijd dwars. Hadden ze niet genoeg mensen, ideeën of wapens? Kwam het doordat de drugs veranderden? Hadden ze ooit echt een kans?”

Verwelkende dromen

Andersons waardering voor de jaren zestig hangt misschien samen met zijn voorliefde voor de mysterieuze Thomas Pynchon: adres onbekend, niemand weet zelfs hoe hij er nu uitziet. Anderson is een fan: hij las naar eigen schatting Inherent Vice negen of tien keer. Geruchten dat hij in contact met hem stond tijdens het schrijven van het script of dat Pynchon met nepbaard of fedora op de set of bij de première in New York rondhing, lacht Anderson weg. „Ik kreeg heel gemakkelijk de rechten op zijn boek, misschien vindt Pynchon mijn films ook goed.”

Inherent Vice was niet eenvoudig om te bewerken, erkent Anderson. „Dialogen kon ik zo overnemen, maar het is zo rijk, ik moest zoveel moois weggooien! Helemaal gelukt is dat niet: de film is misschien iets te lang. Maar ik lig eerder wakker over de prachtige dingen die niet in mijn film pasten. Zo is er in de roman een eikel van een hippie die lsd voert aan een hond. Hij denk dat het cool is, lsd voeren aan zo’n weerloos dier. Dat illustreert exact waar het over gaat.”

Inherent Vice staat voor ingebouwd bederf. Alles draagt het zaad van zijn eigen ondergang in zich, ook de hippiebeweging. In Pynchons roman mijmert Doc over gezichtsloze mensen die hij ziet bij happenings en love-ins: „Waren zij er misschien altijd geweest, die duistere types? Om de muziek, het verzet, het seksuele verlangen van iets episch tot iets alledaags te maken en alles terug te claimen voor de oeroude krachten van hebzucht en angst?”

Anderson: „Het verhaal draait niet om nostalgie, daarvoor is Pynchon veel te somber en cynisch. Maar dat iets bedorven is, neemt niet weg dat het ooit fris en prachtig was.” In Inherent Vice zien we de belofte voor onze ogen ineenschrompelen. Gaat de film over verloren onschuld? Het is een thema van Anderson: Californische dromen die verwelken. De vrolijke pornofamilie van Boogie Nights. Scientology in zijn pioniersdagen in The Master. Zelfs de ruige, door de pinksterbeweging doordesemde oliewereld van There Will Be Blood. „Misschien”, peinst Anderson. „Ik hou van dat idee. Elke dag dat ik leef, verlies ik onschuld. Maar sijpelt dat gelijkmatig weg? Of met grote brokken? Is onschuld gelijk aan onwetendheid? Yeah...”

Zijn stem zwerft weg. Hij zucht. Ook dit gesprek is voorbij.