Lekker lokvoer: de foto’s van John Stezaker

John Stezaker maakt collages in zijn allersimpelste vorm: combinaties van verknipte foto’s. Daarmee verleidt hij je tot intens kijken, zonder je de kans te geven af te dwalen of weg te dromen.

foto sandra then

John Stezaker is een magiër met beeld. Maar lopend over zijn tentoonstelling in het Nederlands Fotomuseum vraag je je voortdurend af wát voor magiër: een tovenaar of een goochelaar?

Stezaker maakt collages in de allersimpelste vorm. Hij begint altijd met foto’s, vaak zwart-witte publiciteitsfoto’s van net niet doorgebroken Amerikaanse acteurs uit de jaren dertig, veertig en vijftig, scènefoto’s uit zwart-witfilms of ouderwetse ansichtkaarten van landschappen (in kleur). Deze foto’s knipt hij in twee stukken om er vervolgens twee verschillende te combineren tot één beeld. Ineens vormt de helft van een donkerharige acteur een nieuw wezen met een halve grijsblonde actrice, of geeft Stezaker je een inkijkje in een acteur door een landschap met grotten op zijn gezicht te plaatsen.

Stezaker is, zoals een goede goochelaar, een meester in suggestie: hoewel meteen duidelijk is dat deze nieuwe gezichten niets meer met de werkelijkheid van alledag te maken hebben, ga je toch met hem mee, op zoek naar een verband, naar logica, zelfs naar het karakter van deze vreemde wezens.

Dat is lekker lokvoer: de ene keer sta je voor zo’n collage en betrap je jezelf erop dat je in je hoofd een nieuwe wezen staat te maken volgens normen die je eigenlijk niet kent, de andere keer ga je op zoek naar de oorspronkelijke ‘hele’ acteurs. Steeds weet Stezaker je daarbij te verleiden tot opvallend intens kijken – je voelt je ogen en je hersens kraken, het kijken wordt bijna lichamelijk. En soms word je beloond: dan vloeien twee foto’s als vanzelf in elkaar over tot een nieuw wezen en krijg je een blik op een onbekende ongeziene wereld die je toch bekend voorkomt.

Tovenarij. Het gebeurt niet vaak, maar als het gebeurt is het geweldig.

Natuurlijk, het is makkelijk Stezakers collages af te doen als beeldpuzzels voor gevorderden. Het eerste wat je bijna automatisch doet, staand voor zijn werk, is de formele kanten van zijn beelden ontrafelen: je let op haarlijnen die doorlopen, ogen die op dezelfde hoogte zitten, een neus die precies even groot is – zulke ‘doorloopjes’ zijn vaak grappig, vooral als de personages verder nauwelijks op elkaar lijken. Nog mooier is Stezakers gebruik van blikrichtingen: vaak verbindt hij twee scènefoto’s met elkaar door iemand uit de ene scène naar iets opvallends op de andere te laten kijken – een geweldige truc, die je ook nog eens doordringt van je eigen kijken, op dat moment.

En daar gaat het Stezaker om: zijn oeuvre is een groot onderzoek naar de manier waarop we naar beelden kijken. Wat een beeld precies ís, hoe je als maker de kijker zover krijgt in een beeld te geloven. Waaraan ontleent een beeld zijn kracht, zelfs als het overduidelijk is geconstrueerd en bijna voor je ogen uit elkaar valt? Die vragen zijn ongetwijfeld de reden dat Stezaker, al even in de zestig, de laatste jaren opvallend populair is geworden, al is het maar omdat jongere kunstenaars, variërend van Neo Rauch tot Ryan Trecartin, bezig zijn met dezelfde problematiek. Maar Stezaker vertegenwoordigt de bodem, de essentie: nooit geeft hij je de kans volledig weg te dromen, af te dwalen in zijn wereld, altijd blijf je de constructie zien. Maar dat is het bijzondere: Stezaker laat zien dat ook die paradox bevredigend kan zijn, zeg maar gerust lekker – hij verleidt je om door te werken aan een puzzel, terwijl je weet dat je die nooit zult oplossen.

Cruciaal daarbij is de beslissing die Stezaker al vroeg in zijn carrière nam: als uitgangspunt neemt hij altijd zwart-witfoto’s van filmscènes en acteurs uit het verleden. Niet alleen maakt het zwart-wit het makkelijker je aandacht te richten op de formele aspecten, Stezaker schept er ook afstand mee tot het nu: als toeschouwer besef je heel goed dat deze foto’s zelf al een geconstrueerde werkelijkheid zijn. Zeker voor wie geen filmkenner is, is Stezakers oeuvre een parade van onbestemde acteurs die heel graag boven hun eigen menselijkheid wilden uitstijgen (en zo een plaats in Hollywood te verwerven): altijd poseren ze als vriendelijk, mooi, welwillend. Maar dat heeft niet het gewenste resultaat gehad: ze zijn niet werkelijk bekend geworden, ze hebben geen reputatie gekregen – voor ons zijn het levende paspoppen. Maar daardoor krijgt Stezaker juist de gelegenheid op allerlei manieren nieuw leven, nieuw karakter in ze te blazen.

Nog spannender zijn wat mij betreft de werken waarin Stezaker nog meer aan de verbeelding overlaat. Mijn persoonlijke favoriet is de serie Masks: zwart-witpubliciteitsfoto’s van acteurs over wier gezichten Stezaker oude landschapsansichtkaarten plakte. Door de grote contrasten (kleur versus zwart-wit, gezicht versus landschap) lijken de twee werelden op het eerste gezicht mijlenver uit elkaar te liggen, tot je ziet dat Stezaker de landschappen zo heeft geplaatst dat ze samenvallen met delen van het gezicht: gaten in een berg worden ogen, een grot wordt een mond, een bosschage een haarlijn. Het effect is geweldig: ineens is het of je een kijkje krijgt in de wereld onder dat nadrukkelijk geconstrueerde acteursoppervlak, of je hun botten, hun geest, hun diepste wezen ziet – juist die formele overeenkomsten lijken nu ineens op een diepere waarheid te duiden, iets te onthullen wat je normaal nooit ziet.

En ineens begrijp je ook waarom Stezakers zo vaak wordt beschreven in de traditie van het surrealisme, in het bijzonder dat van Magritte. Op het eerste gezicht lijkt die vergelijking oppervlakkig, louter gebaseerd op het combineren van verschillende beelden. Maar Stezaker op zijn best doet hetzelfde als goed surrealisme: hij laat je nadenken over de wereld die normaal buiten zicht blijft, de krochten van de geest. Of die bestaan doet er ineens niet meer toe: Stezaker verleidt je ernaar op zoek te gaan en er gretig in te geloven.