In Amsterdam kan Rembrandt alleen maar beter worden

Oude kunstenaars zijn hip, schreef ik een aantal weken geleden op deze plek. Ik had het toen over hedendaagse kunstenaars als Marinus Boezem en herman de vries – tachtigers die nog volop exposeren en door wie een jongere generatie kunstenaars zich graag laat inspireren. In feite geldt die trend ook postuum voor oude meesters. Het lijkt wel of musea zich en masse storten op de laatste fases in de levens van grote namen uit de kunstgeschiedenis. In Tate Modern was afgelopen jaar Henri Matisse: The Cut-Outs een enorme hit. Die tentoonstelling, over Matisses laatste periode waarin hij uitsluitend nog vormen uit papier knipte, beleeft nu successen in New York. In Tate Britain werd tot vorige week de ‘Late Turner’ geëerd als een wegbereider van de moderne kunst. En volgende week donderdag opent in het Rijksmuseum Late Rembrandt, een blockbuster over de laatste twintig jaar van Rembrandts leven, toen hij na een faillissement weer opnieuw moest beginnen.

Er zijn in de afgelopen tien jaar talloze Rembrandt-tentoonstellingen geweest, met name in 2006, toen zijn vierhonderdste geboortejaar werd gevierd. Maar zelden waren de verwachtingen zo hooggespannen als voor Late Rembrandt. Het promofilmpje op de website van het Rijksmuseum belooft veel. We krijgen „Rembrandt op zijn best: emotioneel, intiem, vernieuwend”. Late Rembrandt is volgens het museum „een grootse tentoonstelling die je maar één keer in je leven kunt meemaken!” Dat klinkt als ronkende reclametaal, maar het zou wel eens waar kunnen zijn.

In Engeland, waar de tentoonstelling de afgelopen maanden te zien was in de National Gallery in Londen, reageerde de pers unaniem euforisch. „Rembrandt: The Late Works is de ervaring van je leven”, schreef The Guardian. En: „Deze briljante, gedurfde blockbuster onthult de ware Rembrandt – een man die ten einde raad is.” De Evening Standard schreef: „Dit is een van de beste tentoonstellingen uit de geschiedenis.” En Rembrandt-kenner Simon Schama bejubelde in The Financial Times – en vandaag op pagina 10-11 van dit Cultureel Supplement – Rembrandts „revolutionaire vrijheid” in de laatste fase van zijn leven.

In het Rijksmuseum kan de tentoonstelling alleen nog maar beter worden. In Londen waren negentig schilderijen, prenten en tekeningen te zien, in Amsterdam zijn daar nog enkele doeken aan toegevoegd. En waar het in de National Gallery dringen was in de krappe, ondergrondse zalen van de Sainsbury Wing, zullen de Rembrandts in Amsterdam getoond worden in de ruime daglichtzalen van de zojuist gerenoveerde Philipsvleugel. Dat zal de verflagen van Rembrandts meesterwerken alleen maar nog meer doen gloeien.