Column

Hoeveel Chinezen zijn door U aan het werk?

Iedereen handelt met iedereen. Maar wie beseft dat nog elke dag? Neem de bril of de contactlenzen die u kunt kopen bij Pearle, een van de winkelketens van GrandVision, een Nederlandse multinational die morgen naar de beurs in Amsterdam gaat. GrandVision doet zaken in 43 landen, exploiteert 21 eigen merken, met samen 6.000 producten op voorraad, die ingekocht worden van 30 leveranciers, zo meldt het prospectus.

GrandVision beschrijft daarin hoe de keten van leveranciers, de zogeheten supply chain, de afgelopen jaren drastisch is gestroomlijnd om opslag- en personeelskosten te besparen. Ruim twee jaar geleden deed het bedrijf nog zaken met 220 toeleveranciers.

Stroomlijning klinkt efficiënt, maar betekent ook extra risico’s en extra afhankelijkheid. Als de keten van leveranties wordt onderbroken door een natuurramp, door stakingen of door exportbeperkingen kunnen snel tekorten in de winkelschappen ontstaan. Arbeidsonrust in China kan Apple schaden. De tsunami die Japan in 2011 trof onderbrak leveranties naar Europa. GrandVision noemt in zijn prospectus een overstroming in Thailand die de fabriek van een contactlensproducent onder water zette.

Deze grensoverschrijdende ketens van productie en leveranties zijn kenmerken van het moderne kapitalisme die zich meestal onttrekken aan het zicht van beleggers, personeel en media. De meeste mensen hebben de invloed daarvan op ons dagelijks bestaan aanvaard zoals het is. Lekker makkelijk. Zoveel keus. Zo vanzelfsprekend beschikbaar. Zo goedkoop.

Individuele bedrijven geven weinig inzicht in deze processen. Te concurrentiegevoelig. Maar statistische bureaus, zoals ons CBS, publiceren steeds meer boeiende gegevens over deze zogeheten waardeketens. In welke schakel van het productie- en dienstenproces wordt extra waarde toegevoegd? In de ‘kale’ productie of in de prompte transport? In het gebruik van patenten of octrooien? Of in de marketing- en verkoopfase aan de consument?

De meest recente uitgave van de Internationaliseringsmonitor, een kwartaaluitgave van het CBS, bevat een schat aan ‘weetjes’ over de waardeketens en de rol van Nederland.

Elk land wil natuurlijk in een mondiaal economisch systeem zoveel mogelijk schakels met een hoge toegevoegde waarde binnen zijn landsgrenzen hebben. Hoge toegevoegde waarde betekent kennis en succes, een basis voor hoog- én laaggeschoold werk, voor welvaart en voor belastingheffing. Uit de monitor van het CBS put ik twee thema’s. Handel met Duitsland levert ons de meeste toegevoegde waarde op, daarna komen de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Duitsland, onze grootste exportmarkt (169 miljard euro), is de voor de hand liggende nummer 1. Maar dus niet alleen in volume, ook in waarde. En dat is wat telt.

Het tweede thema, dat ik nooit eerder had gelezen, is dat het CBS de waarde van de handel omrekent naar werkgelegenheid. De drie eerder genoemde handelspartners zijn samen goed voor 800.000 banen in Nederland. Omgekeerd zijn Nederlandse consumenten, bedrijven en de overheid door hun aankopen goed voor 300.000 banen in Duitsland, 600.000 in India en 900.000 in China.

Onze export betekent banen, dat is het mantra van kabinet en werkgevers voor bijvoorbeeld permanente loonmatiging. Maar import betekent óók banen. In het buitenland. En hier. Waarom? We produceren zelf minder dan vroeger, want dat importeren we nu. En die import gebruiken we in de export met een hogere waarde. Dat zijn allemaal banen.