De tolk versoepelt het asielgesprek

Hulpvaardige vertalers van de immigratiedienst gaan op de stoel van de ambtenaar zitten

Drie mensen zitten rond de tafel: de asielzoeker, de medewerker van de immigratie- en naturalisatiedienst en de tolk. Dit interview is cruciaal voor de asielzoeker: zijn toekomst hangt er vanaf. Voor de IND’er en voor de tolk is het gewoon werk.

Taalwetenschapper Susanne van der Kleij analyseerde de rol van de tolk in de asielinterviews. Vertaalt de tolk alleen, of stuurt hij het gesprek ook, wilde ze weten. Ze promoveerde gisteren in Nijmegen op haar onderzoek.

Grote onregelmatigheden vond zij niet. Wel bleek dat tolken vaak de vertaling aanpassen om het gezegde te verduidelijken. Dat is meestal niet in het nadeel van de asielzoeker, maar dat zou het wel kunnen zijn. Zij vindt daarom dat elk gesprek vastgelegd zou moeten worden door middel van geluidsopname. „Dat gebeurt nu niet. Je wil toch een controlemiddel hebben, waar je bij twijfel op terug kunt vallen.” Afgelopen jaar vroegen in Nederland 24.000 mensen asiel aan.

Voor haar onderzoek analyseerde ze 14 ‘tweede asielinterviews’. De asielzoeker heeft dan al een eerste gesprek achter de rug waarin zoveel mogelijk feitelijke informatie wordt verzameld over wie hij is, waar hij vandaan komt en hoe hij naar Nederland is gekomen.

In het tweede interview vertelt de asielzoeker over zijn redenen om asiel aan te vragen. Van der Kleij: „Veel asielzoekers hebben geen papieren. Daarom wil de IND graag de vraag beantwoorden: ‘Ben je wel wie je zegt dat je bent?’ De ambtenaar wil daarom zoveel mogelijk verifieerbare informatie verzamelen. In het gesprek ligt de focus op namen, data, plaatsen.”

De asielzoekers in de door haar geanalyseerde gesprekken waren allemaal Afrikanen. Naast de Afrikaanse talen Swahili en Somalisch waren er ook gesprekken in het Engels en het Frans. Als de tolk aan het woord is, is dat meestal om hetgeen de asielzoeker en de ambtenaar hebben gezegd te vertalen. Van der Kleij: „Maar een tolk wil ook dat een gesprek soepel verloopt. Hij wil het maximale eruit halen. Daarom vraagt een tolk af en toe naar meer informatie. Of verduidelijkt hij iets in een vertaling. De tolken werken meestal al langer voor de IND, ze weten hoe belangrijk de verifieerbare informatie is. Dus als een asielzoeker zegt: ‘Op 14 april ging ik naar de markt en daar ontmoette ik een blanke man’, dan zal de tolk geneigd zijn te vragen: 14 april van welk jaar?”

Op enkele momenten gaat de tolk verder: hij vat een langer relaas van de asielzoeker samen, hij maakt het specifieker of voegt zelf iets toe. Van der Kleij: „Dat zijn bekende strategieën uit de literatuur over tolken. Ze worden gebruikt om een gesprek te coördineren en soepel te laten lopen.”

Tolken, concludeerde Van der Kleij, proberen het verhaal van de asielzoeker en de vragen van de IND’er, zo helder mogelijk over te brengen. Daardoor wijkt de vertaling bijna altijd af van hetgeen er precies gezegd is. „Vaak helpen de aanpassingen van de tolk de asielzoeker juist, als daardoor de vragen van de ambtenaar worden verduidelijkt. Of als asielzoekers worden aangemoedigd een uitgebreider antwoord te geven.”

Susanne van der Kleij vindt toch dat de tolk niet te veel op de stoel van de IND-ambtenaar moet gaan zitten. Er bestaat een gedragscode voor tolken, maar die helpt daar niet echt bij. „Het vertalen is zo dynamisch, dat laat zich lastig vangen in regels.”