De dure smaak van miljonair Frick

Het Mauritshuis toont een kleine veertig kunstwerken uit de museale collectie die ‘cokeskoning’ en miljonair Henry Clay Frick vergaarde. Schilderkunst uit de achttiende en begin negentiende eeuw is uitstekend vertegenwoordigd.

Opstelling van de Frick Collection in het Mauritshuis Foto Mauritshuis

Een spotprent die in 1911 verscheen in het Britse weekblad Punch, verwijst naar de manier waarop destijds in de Verenigde Staten kunst werd verzameld. Half over een wereldbol leunt een archetypische Amerikaanse rijkaard, met hoge hoed, grijze snor en zelfgenoegzame blik, met in zijn handen een enorme magneet in de vorm van een dollarteken. Daarmee trekt hij van over de oceaan een grote hoeveelheid kostbare voorwerpen aan: Griekse sculpturen en Egyptische mummiekisten, kerkgewaden en middeleeuwse meubels, wapens en harnassen. En natuurlijk schilderijen van oude meesters.

De tekening weerspiegelt de verzamelwoede in het Amerika van de late negentiende en het begin van de twintigste eeuw. In deze zogenaamde ‘Gilded age’ struikelden de steenrijke industriëlen, olie- en staalmagnaten over elkaar heen in hun streven om, vooral in het oude Europa, stukken te verwerven voor hun exquise collecties in stadspaleizen en buitenhuizen in New York, Boston of Los Angeles.

De hoed van de man op de spotprent, die is afgebeeld in de catalogus van de expositie over de Frick Collection in het Haagse Mauritshuis, is voorzien van de naam van de bankier John Pierpont Morgan. Maar net zo goed had die er kunnen staan van Henry Clay Frick (1849-1919), de naamgever van de verzameling waaraan de tentoonstelling is gewijd.

Self made man

Frick was een echte selfmade man: hij was van eenvoudige komaf en bekwaamde zich al op jonge leeftijd in de productie van cokes uit steenkool. Voor de opkomende metaalindustrie werd hij een onmisbare toeleverancier. De zaken gingen zo goed dat Frick spoedig miljonair werd. In 1880 reisde hij naar Europa, waar bij hem kennelijk de gedacht postvatte een kunstcollectie te beginnen.

Vanaf 1881 kocht Frick vooral schilderijen, maar ook andere luxueuze producten zoals kleine bronssculpturen, uit de Renaissance en Barok. Hij bracht zijn kostbaarheden onder in een enorm, nieuw woonhuis in Manhattan, dat sinds 1935 als museum publiek toegankelijk is. Voor het eerst is een selectie van een kleine veertig werken in haar geheel uitgeleend: voor de expositie in het Mauritshuis.

Een van de essays in de catalogus vestigt de aandacht op dat ‘Vergulde tijdperk’ in de Verenigde Staten toen Frick en Morgan, maar bijvoorbeeld ook Andrew Carnegie, Isabella Steward Gardner, Solomon Guggenheim en J. Paul Getty, hun onmetelijke rijkom inzetten om kunstcollecties en bibliotheken te stichten.

Dat deden ze voor hun eigen genot maar ook ter verheffing van de bevolking van Amerika, dat niet alleen in financiële en industriële zin voorop zou moeten lopen in de wereld, maar ook in culturele. Geld speelde toch al niet of nauwelijks een rol, en de verzamelaars werden ook nog geholpen door aanscherping van het Britse erfrecht. In Engelse kastelen en landhuizen bevonden zich vanouds uitgelezen kunstcollecties. Toen de successierechten die erfgenamen moesten betalen over de bezittingen van de overledene niet meer waren op te brengen, werden kunstverzamelingen noodgedwongen op grote schaal te koop aangeboden.

Dat was het moment waarop de tussenpersonen van de Amerikaanse liefhebbers met zakkenvol dollars in beeld kwamen. Zo verwierf Frick Rembrandts monumentale Zelfportret uit 1658 uit de verzameling van de Earl of Ilchester in Dorset. Net als veel van zijn land- en tijdgenoten kon hij het zich veroorloven slechts genoegen te nemen met kunstwerken van absolute topkwaliteit.

Hoeveel van Fricks verzamelromantiek, idealisme en hang naar kwaliteit weerspiegelt de tentoonstelling?

Met dat laatste zit het wel goed, hoewel het Amerikaanse museum zijn grootste publiekstrekkers thuis heeft gehouden: werken van Rembrandt en Frans Hals, Piero della Francesca en een beroemd paneel van de Venetiaanse renaissanceschilder Giovanni Bellini met de heilige Franciscus in een schitterend gedetailleerd landschap (ca. 1485).

In het Mauritshuis zijn nu dan ook niet de paneeltjes te zien die de Frick Collection bezit van de veertiende-eeuwse schilder Duccio uit Siena, maar een werk van zijn wat minder elegant schilderende tijdgenoot Cimabue uit Florence. Van Francisco Goya is er niet een schilderij maar een tekening.

En er is een marmeren busteportret van een jonge vrouw door de getalenteerde vijftiende-eeuwse beeldhouwer Francesco Laurana; niet een vergelijkbaar werk van de nog begaafdere Florentijn Andrea del Verrocchio dat de Frick Collection ook bezit.

Snaakse jongedame

Alleen een kniesoor maakt daarvan een punt, zeker als blijkt dat vooral de schilderkunst uit de achttiende en begin negentiende eeuw in Den Haag uitstekend is vertegenwoordigd, met een snaakse jongedame liggend op een divan in een rommelig boudoir in pasteltinten door François Boucher, een portret van een mysterieuze, ietwat ongenaakbare vrouw door Jean-Auguste Dominique Ingres, een zonovergoten, losjes geschilderd Venetiaans stadsgezicht door Francesco Guardi en een gezicht op een sappig groen Engels plattelandstafereel met een schimmel op een veerboot door John Constable.

De werken in de tentoonstelling weerspiegelen vooral een zekere voorkeur die Henry Frick koesterde voor landschappen en portretten. Maar geen ervan is door hemzelf gekocht voor het latere museum, dat de stelregel hanteert dat werken die Frick zelf heeft gekocht, nooit worden uitgeleend.

Enkele, zoals de Guardi, waren al wel in Fricks bezit, maar werden elders bewaard en zijn pas veel later door zijn dochter Helen aan het museum geschonken. Veruit de meeste zijn pas later verworven. Wel poogt de catalogus van de expositie in het Mauritshuis, die toch al veel werk maakt van het ontstaan van de verzameling en haar stichter, telkens weer de relatie met de verzamelactiviteit en de persoon van de cokeskoning te benadrukken.

Zo zal hij „zeker halt hebben gehouden” bij het genoemde Witte paard van Constable toen hij een bezoek bracht aan de expositie van schilderijen uit de collectie van Pierpont Morgan, waaruit het werk pas in 1943 werd verworven. Je zou het kunnen beschouwen als een minstens gelijkwaardig substituut voor Constables Gezicht op Salisbury Cathedral dat Frick zelf heeft gekocht en dat in New York is achtergebleven. En een Madonna met kind met heiligen door Jan van Eyck en diens atelier uit ca. 1441 verwijst naar de belangstelling in het Amerika van omstreeks 1900 voor de zeldzame en daardoor onbereikbare werken van de Brugse meester. Het panel vulde bij aankoop in 1954 een lacune die Frick zelf open had gelaten.

Zo is de collectioneur vooral impliciet aanwezig in de mooie, maar vrijblijvende selectie kunstwerken uit de verzameling waaraan de naam van Frick is verbonden.