Bussemakers gelijk: studeren vaak geen investering in jezelf

Werkloosheid en vakkenvulbaantjes van hoogopgeleiden hebben een studie minder lonend gemaakt. Begin aan voorselectie, zegt Leo Prick.

Tijdens de discussies over het wetsvoorstel Sociaal Leenstelsel in de Tweede Kamer in 2013 en 2014 betoogde minister Bussemaker dat er een ‘paradigmaverschuiving’ zou hebben plaatsgevonden. Het belang van de gemeenschap bij het studeren van jongeren zou zijn afgenomen terwijl het persoonlijk belang van de student zou zijn toegenomen. Logisch dat de student meer en de gemeenschap minder zou bijdragen aan de kosten. Zij onderbouwde dit met cijfers van het Centraal Planbureau, die aantoonden dat afgestudeerden de afgelopen jaren, in vergelijking met lager opgeleiden, steeds meer verdienen. Voor een meerderheid in de Tweede Kamer was dit een reden om met het voorstel akkoord te gaan.

De cijfers van Bussemaker golden overigens de vijftien jaren van economische voorspoed die eindigden in 2008. Daarvoor, tijdens de crisis van de jaren tachtig, werden de verschillen in beloning tussen hoog- en laagopgeleiden juist kleiner en hetzelfde zien we nu opnieuw. De tijd dat hoogopgeleiden weer de winnaars worden op de arbeidsmarkt kan wel eens lang op zich laten wachten, en tot die tijd komen er steeds weer nieuwe horden hoogopgeleiden bij die, in afwachting van een baan op eigen niveau, vakken vullen, in de horeca werken of als zzp’er met losse klusjes een schamel kostje bijeen harken.

Gezien de belabberde arbeidsmarkt is het potsierlijk de lening voor een studie te verdedigen als een goed renderende investering in jezelf. Dus eenmaal in de Eerste Kamer bleek Bussemaker het eigentijdse investeren in jezelf te hebben ingeruild voor het aloude en dus beter bij de leeftijd van de senatoren passende onderwijsdoel Bildung, een begrip dat ik zou willen omschrijven als brede algemene vorming voor zelfontplooiing.

PvdA-senator Ruud Koole vond het verheugend dat de minister afscheid had genomen van ‘het doorgeslagen rendementsdenken’ en ‘het paradigma van de investerende student’. Zo liet deze als kritisch omschreven senator zich paaien, want het is natuurlijk vreemd dat een wetsvoorstel dat in de Tweede Kamer werd verdedigd met het argument van een goed renderende investering, in de Eerste Kamer wordt aangenomen omdat de minister nadrukkelijk afstand neemt van deze ‘verwerpelijke’ redenering.

Ik begreep dat het wetsvoorstel bedoeld was voor een in de ogen van de overheid eerlijker verdeling van de onderwijskosten tussen gemeenschap en direct belanghebbende, maar daar bleek het niet om te gaan.

Het Sociaal Leenstelsel leidt tot een tweeledige besparing: afremming van de groei van het aantal studenten, terwijl degenen die wel gaan studeren meer gaan betalen. Het bespaarde geld gaat naar de instellingen die geacht worden de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. En dit alles, en daar was het om begonnen, budgettair neutraal.

Wie zonder meerkosten de kwaliteit van het hoger onderwijs wil verbeteren, moet breken met het stompzinnige Lissabon-idee dat de concurrentiekracht van Europa gediend is bij hoger onderwijs voor de meerderheid van de bevolking. Dat uitgangspunt leidt alleen maar tot diploma-inflatie. Niet iedereen met een havo- of vwo-diploma is geschikt voor hoger onderwijs en bovendien heeft ook lang niet iedereen daar baat bij. Selectie niet op financiële maar op inhoudelijke gronden zoals geschiktheid, interesse en motivatie was een betere manier geweest om het aantal studenten te beperken. Werken met geïnteresseerde en gemotiveerde studenten leidt vanzelf tot beter onderwijs. Dat geldt niet voor werken met studenten die zich in de schuld durven steken.

Bussemaker had gelijk toen ze de senaat voorhield dat mbo-4 een opleiding is waarmee je heel goed en soms zelfs beter terecht kunt op de arbeidsmarkt dan met een diploma hoger onderwijs. Maar door financiële drempels op te werpen in plaats van kwalitatieve heeft ze daar een verkeerde conclusie aan verbonden.