Column

Banale herinnering

‘Het treurige is dat je, met het klimmen der jaren, een steeds groter zak vol nutteloze herinneringen wordt”, schreef Gerrit Komrij. Hij was toen pas een jaar of 45; bij zijn overlijden op 68-jarige leeftijd moet die zak wel erg vol zijn geweest.

Hij beschreef iets zeer herkenbaars, moest ik de afgelopen dagen weer eens meewarig vaststellen. En wat nog veel vervelender is: in die zak met nutteloze herinneringen zit een groot gat waarin veel nuttiger herinneringen voorgoed verdwijnen.

Een voorbeeld. In Trouw las ik een essay van Willem Jan Otten over de speelfilm Poetry van de Koreaanse regisseur Lee Chang-dong. Ik zag Poetry drie jaar geleden, een schitterende film over een 66-jarige vrouw die verneemt dat ze aan alzheimer lijdt. Nee, daarna ontvouwt zich geen voorspelbaar drama over een steeds verder afglijdende vrouw. Het scenario is veel origineler, het betrekt de vrouw bij een geval van zelfmoord door een verkracht meisje.

Naarmate Otten er meer over vertelde, besefte ik hoe weinig ik van het verhaal onthouden had. Ik vroeg er mijn vrouw naar, op wie de film destijds ook grote indruk gemaakt had. Zij herinnerde zich wat meer, maar ook bij haar was uit de zak met herinneringen veel verdwenen. Na drie jaar al. Alzheimer is overal!

Wie schrijft zou eigenlijk een beter geheugen moeten hebben, en veel schrijvers hebben ook een goed geheugen – maar vaak toch vooral voor de langere termijn, net als gewone stervelingen.

Ik merkte het ook bij Simone de Beauvoir, die nauwgezet kon schrijven over haar jeugd, maar in haar laatste boek met herinneringen, Alles welbeschouwd, moest vaststellen: „En mijn geheugen laat een groot deel van het weten ontsnappen, dat ik erin heb opgeslagen. Vooral tussen mijn vijfentwintigste en vijftigste jaar heb ik veel verloren: ongeveer alles wat ik wist van wiskunde, Latijn, Grieks.”

Komrij schreef dat hij in zijn hersens het liefst een ‘archiefvernietiger’ had gehad, een hoekje voor het vernietigen van „al die aangekoekte nietswaardigheden die op de meest willekeurige momenten uit hun jarenlange dommel schieten om het netvlies van je geheugen te bevuilen.”

Toen ik dat las was net Gerrit Voorting (92) overleden, een bekende wielrenner uit de jaren vijftig. Op gezette tijden doemt in mijn geheugen een uiterst banale herinnering aan hem op. Ik stond, vermoedelijk met mijn ouders en broer, in Venlo naar een kermiskoers te kijken waaraan Voorting en andere bekende wielrenners uit de Tour de France deelnamen. Sportief stelden die koersen niets voor – de overwinning werd meestal ‘gematchfixed’, zoals we nu zeggen – maar voor de wielerfans was het dé manier om hun idolen in levenden lijve te zien.

De renners reden steeds hetzelfde rondje en op een gegeven moment zei iemand tegen mij: „Kijk, dat is nou Gerrit Voorting.” Ik zag in het peloton een grote, sterke man die al fietsend in het haastige voorbijgaan zijn lul uit zijn broekje haalde en het wegdek bepiste. („Moeten die woorden er nou echt in?” vroeg mijn vrouw toen ik haar dit stukje liet lezen. „Ja”, zei ik resoluut, „want een wielrenner laat je niet wateren met een penis.”)

Dat moet in de jaren vijftig zijn gebeurd, ik zal een jongen van een jaar of tien zijn geweest. Mijn nieuwsgierigheid was bevredigd: ik had me altijd afgevraagd hoe wielrenners pisten. Ik zou het nooit meer vergeten.