Rutte roert zich om lokalo’s te marginaliseren

Lokale partijen zonder landelijke dekking koersen bij Provinciale Verkiezingen af op sleutelpositie Eerste Kamer, aldus D.J. Elzinga.

De verkiezingen voor de Provinciale Staten in maart zullen weer geheel worden ondergesneeuwd door de verkiezingen voor de Eerste Kamer. Behouden VVD en PvdA, samen met D66, SGP en Christen Unie, een meerderheid in de Eerste Kamer of valt ook deze gelegenheidssamenwerking in duigen?

Het te verwachten verlies van PvdA en VVD zal waarschijnlijk niet kunnen worden gecompenseerd door de winst van D66 en daarmee kan het kabinet-Rutte II in de gevarenzone komen. Veel ruimte voor provinciale thema’s zal er niet zijn. De kiezer zal zich vooral laten leiden door het nationale politieke debat.

Toch is er ook iets anders aan de hand met mogelijk vergaande gevolgen voor de decentrale en de nationale politiek. Bij de verkiezingen voor de gemeenteraden in 2014 is het aandeel van de plaatselijke politieke groeperingen weer stevig toegenomen. Het ziet er naar uit dat die beweging nu ook een vertaling gaat krijgen in de Provinciale Staten en in de senaat.

Het verschijnsel lokale partij kwam na 1945 vooral voor in het zuiden van ons land. Vanwege de katholieke politieke monocultuur maakten andere landelijke partijen weinig kans en probeerden lokale lijsten het verschil te maken. Rond de eeuwwisseling nam het verschijnsel lokale partij sterk in betekenis toe en nu ook in andere delen van het land.

Na 2000 is het aandeel structureel boven de twintig procent. Bij de laatste raadsverkiezingen in 2014 bracht 29,7 procent van de kiezers een stem uit op een lokale partij en dat had tot resultaat dat deze partijen eenderde van het aantal raadszetels zijn gaan bezetten. Dat die lokale partijen sterk in aanhang winnen, duidt op structureel ongenoegen bij de decentrale kiezers. Gemeentelijke partijen met een landelijk profiel kunnen zich maar moeilijk onttrekken aan de nationale politiek. Lokale partijen hebben de handen vrij om plaatselijke problemen te benoemen en zich te richten op burgers en organisaties in de gemeente. In tijden van teruggang en crisis worden plaatselijke politici en bestuurders met landelijke connecties medeverantwoordelijk gehouden voor de bezuinigingsdruk die door de nationale overheid wordt gelegd.

Deze decentrale politici en bestuurders kunnen dan alle sterren van de hemel spelen, maar electoraal wordt daarmee niet gescoord. Daar komt nog bij dat het frustratieniveau van decentrale kiezers en volksvertegenwoordigers hoger is dan ooit tevoren. In bedrijfsmatig opzicht groeien de lagere overheden als kool, met veel nieuwe taakstellingen en bijna onvoorstelbare budgetuitbreidingen.

Maar in hetzelfde tempo neemt de betekenis van de gemeentelijke politieke arena af. De gemeenten worden steeds sterker filialen van de rijksoverheid met minder ruimte om politiek te bedrijven. Een gemeenschappelijke noemer van de lokale partij nieuwe stijl is dat er een reservoir wordt gevormd voor electoraal ongenoegen uit deze en andere bronnen. En dat betekent dat het verschijnsel verder in omvang zal toenemen. Deze politieke beweging is in gezamenlijkheid nu al veruit de grootste van Nederland en dat lokt initiatieven om dit ook te vertalen naar provinciaal en nationaal niveau.

In diverse provincies hebben de lokale partijen de handen ineen geslagen en zijn er nieuwe provinciale politieke formaties tot stand gekomen. In Limburg is de van fraude verdachte Jos van Rey uit Roermond als lijstduwer en stemmentrekker ingehuurd. Vanuit de landelijke vereniging Nederland Lokaal wordt een en ander in de provincies gecoördineerd en voorbereidingen getroffen om na de Statenverkiezingen ook een sterke fractie in de Eerste Kamer te krijgen.

Van de uitslag van de Statenverkiezingen hangt het af hoe sterk het politieke aandeel zal zijn in de provincie en in de Eerste Kamer. Bij een aanhang van een derde – zoals bij de raadsverkiezing van 2014 – gaat het om maar liefst 25 van de 75 zetels in de Eerste Kamer. Omdat deze provinciale en landelijke binding nieuw is, zal dat aandeel van een derde niet worden gehaald, maar een senaatsfractie van tien tot twaalf leden lijkt een redelijk en haalbaar uitgangspunt.

In de huidige Eerste Kamer is de VVD-fractie de grootste, met zestien senatoren. Na de aanstaande verkiezing van de senaat zal de grootste Eerste Kamerfractie bestaan uit tien of twaalf leden. De kans dat de huidige oppositionele fracties – zoals CDA, GroenLinks, SP – zich op de valreep nog willen binden aan Rutte-II is nihil. En dat betekent dat de lokalo’s een goede kans maken om een sleutelpositie in te nemen, waarbij zij het lot van Rutte-II in handen krijgen.

Mark Rutte zal zich dus rechtsom of linksom moeten ontdoen van de gezamenlijke lokale partijen en hen de wind uit de zeilen moeten nemen. En ook dat betekent een enorme impuls om in de komende campagne niet al te veel de provinciale kaart te spelen, want dan schiet men zich mogelijk effectief in eigen voet.