Roland Barthes en de betekenis van biefstuk en Brando

Wat was hij? Vooral een geleerde of toch in de eerste plaats schrijver? Bij Roland Barthes (1915-1980) is dat niet te scheiden. Zijn honderdste geboortejaar is in Frankrijk reden voor talloze festiviteiten. Als opmaat verscheen er al een nieuwe, jubelend ontvangen biografie van Tiphaine Samoyault, in de Bibliothèque nationale komt een tentoonstelling over zijn werk, en er zijn congressen en conferenties over allerlei aspecten van zijn werk gepland – van ‘De smaak van Barthes’ tot ‘Barthes en de twintigste eeuw’. Speciale aandacht zal er later dit jaar zijn in het Centre Pompidou voor ‘Barthes en film’.

Barthes was een van de eerste geleerden die populaire cultuur de moeite waard vond voor scherpzinnige analyses, in zijn beroemde boek Mythologieën uit 1957. Hij behandelt daarin onder meer de plaats van biefstuk met frites, rode wijn en de Tour de France in het Franse zielsleven. Hij analyseert de dagelijkse consumptie van beelden in kranten en weekbladen en ook in film. Barthes schrijft over het onbewogen gezicht van Greta Garbo, de nonchalante manier waarop de gangster tot geweld overgaat in de misdaadfilm en de ‘objectieve domheid’ van Marlon Brando als havenarbeider in On the Waterfront.

Barthes verhult zijn minachting voor de kleinburgerlijke massacultuur geenszins – een esthetisch en politiek oordeel dat inmiddels nogal onmodieus is onder de beoefenaars van ‘cultural studies’, die in Barthes’ voetsporen zijn getreden.

Zijn verhouding tot de filmkunst was ambivalent. Film was hem eigenlijk te groots en meeslepend, liet de toeschouwer te weinig ruimte voor reflectie. Een van zijn beroemdste stukken over film gaat – veelzeggend – over het plezier van het verlaten van de bioscoop (‘En sortant du cinéma’). Naar een film kijken in de bioscoop brengt een staat van hypnose teweeg; aangenaam, maar ook een staat van zijn die wantrouwen verdient. Barthes gaf er de voorkeur aan niet volledig op te gaan in de film, hij bleef zich bewust van de diepe duisternis van de filmzaal, en de aanwezigheid van al die anonieme mensen om hem heen; een impliciet erotische gewaarwording die hij afzet tegen televisiekijken. ,,De televisie veroordeelt ons tot de familie.”

In een ander fameus stuk van zijn hand, ‘Le troisème sens’, behandelde hij een film van Eisenstein, Ivan de Verschrikkelijke. Tenminste: enkele stilstaande beelden daaruit, niet als bewegend beeld, maar als fotografie. Met de sterk toegenomen mogelijkheden – sinds zijn dood in 1980 – om beelden stil te zetten, terug te spoelen, nog eens te zien, is het moment misschien gekomen voor Barthes’ unieke manier van film beschouwen.