Column

Kool en bunzing

Het noodlot wilde dat ik maandag een trein naar het zuiden des lands zou nemen. Over de driestheid van dat voornemen hoef ik verder niet uit te weiden. Utrecht was die dag voor elke reiziger een onneembare vesting. ProRail stortte compleet in – en er hoefde niet eens een sneeuwvlok, een herfstblaadje of een duivenpoepje voor te vallen.

Om toch het verre zuiden te bereiken, besloot ik te reizen met de hogesnelheidslijn, de zogeheten ‘Intercity direct’ van Amsterdam naar Breda. Een soepel zoevend geval dat mij snel op de plaats van bestemming bracht. Bravo NS!

Ik nam ’s avonds dan ook handenwrijvend van toekomstig genot op het perron plaats voor de terugreis. Helaas – alle supersnelle Intercity’s waren opeens bezweken, vermoedelijk aan hun succes van die morgen. Zo werd het weer een avondje gemoedelijk boemelen via Dordrecht, Delft en Heemstede, mooie plaatsen, ook al zie je er weinig van door zo’n vervuild NS-raam.

Ik zat nog wat bedroefd te mijmeren over mijn leven als gemankeerd treinreiziger, toen in Leiden een man van een jaar of dertig mijn compartiment binnenstormde. In een hand hield hij een grote plastic etensbak, gevuld met gele rijst in een plas van een giftig uitziende bruinrode vloeistof. Ik rook kool en dode bunzing.

De man plofte neer en begon meteen te schrokken. Ik had wel willen verhuizen, maar mijn aandacht werd ook getrokken door een Chinees paartje, toeristen van omstreeks de veertig, die met hun koffers aan de andere kant van het gangpad zaten. Hun sereniteit trof mij diep. Zij namen geen notitie van de etende man, maar uitsluitend van elkaar. Ze droegen beiden zwarte vrijetijdskleding, de man zat aan het raam en praatte zachtjes tegen de tengere vrouw-met-vlechtje naast hem. Zij luisterde aandachtig en onderbrak hem alleen om af en toe een brokje koek in zijn mond te stoppen.

Ze pakten ieder een e-reader uit hun bagage en begonnen elkaar om de beurt in het Chinees voor te lezen. Als zij las sloot hij zijn ogen. Hun stemmen bleven laag, vrijwel toonloos, alsof zij samen een gebed uitspraken. Liever stelde ik me voor dat zij dezelfde literaire tekst lazen en elkaar afwisselden om niet vermoeid en ongeconcentreerd te raken. Hoe dan ook, het was een vorm van echtelijke eensgezindheid die ik nooit eerder had gezien.

De etende man naast hen vormde een bizar contrast, het was alsof hij ostentatief niets te maken wilde hebben met dat beschavingsoffensiefje bij hem in de buurt. Eerst het vreten, dan de rest. Daarna pakte hij zijn mobiel en sprak nette woorden als ‘overcommunicatie’ en ‘irrelevantie’.

De Chinese man onderbrak het lezen om naar de wc te gaan. Had ik hem moeten waarschuwen? Ik kwam er net vandaan en wist wat hij er zou aantreffen: nattigheid op de grond, stukken toiletpapier gekleefd aan de wc-pot, smerigheid alom.

Maar hij bleek door niets uit het veld te slaan. Onverstoorbaar als steeds kwam hij terug, ging zitten, pakte zijn e-reader en luisterde meteen naar zijn vrouw die weer van de hare begon voor te lezen.

Zo liepen we Amsterdam binnen. De grote eter stond op, trok zijn jas aan en haastte zich naar de uitgang. De plastic etensbak liet hij, nog half gevuld met het bruinrode gif, achter op het tafeltje – stille getuige van zijn honger. De Chinese man wierp er één neutrale blik op voor hij zich omdraaide en zijn vrouw hielp met de koffers.