Het grote raadsel dat Provo heette

Een witte fiets als symbolisch protest tegen ‘het klootjesvolk’. De datum 10-3-1966 is de dag van het huwelijk van prinses Beatrix en Claus von Amsberg. Foto ANP

Als de protestgeneratie één ding verweten wordt, dan wel haar zelfgenoegzaamheid. „Wij hebben de wereld veranderd.” Of, nauwelijks bescheidener: „Nee, we hebben de wereld niet veranderd, maar wij hebben het ten minste geprobeerd.” En zo zeggen ze het al vijftig jaar lang.

Rebelse stad, een documentaire over Amsterdam in de jaren zestig, gemaakt door ooggetuige Willy Lindwer, zal dat verwijt in elk geval niet verzachten. Zijn montage van archiefopnamen, interviews en stadsbeelden is een weemoedige en hartelijke felicitatie aan ‘het Magies Centrum’ van de jaren dat jongeren de autoriteiten te kijk konden zetten met een unieke strategie van ludiek anarchisme. Toen krenten uitdelen of rondlopen met onbeschreven spandoeken nog een reden voor arrestatie was.

De Haagse actievoerder Roel van Duijn werkte halverwege de jaren zestig twee weken op de Amstelbrouwerij in Amsterdam. Daar schroefde hij aan de lopende band doppen op flessen. Hij vroeg zijn medearbeiders: zouden jullie niet liever thuis blijven? Dat ze je doorbetaalden en je je de hele dag kon wijden aan de verandering van de maatschappij? „Ze keken me aan alsof ik gek was”, zegt Van Duijn achteraf tegen Lindwer. „En toen gingen mijn ogen open. Dan kan je lang wachten op die arbeidersrevolutie. Dan moeten we zoeken naar een nieuwe klasse die wel de revolutie kan maken. En ik dacht aan opstandige jongeren.”

Nozems met hun vetkuiven, Pleiners in hun jazzclubs – jongeren in Amsterdam waren al lang opstandig voordat Roel van Duijn provo’s van ze maakte. Van Duijn was een politieke activist, gevoed door Russische anarchisten uit het einde van de 19de eeuw. Maar het is de vraag of hij revolutionaire potten had kunnen breken als hij in Amsterdam niet in contact was gekomen met Robert Jasper Grootveld, de kunstenaar die de stad al jaren ontregelde met antirookmanifestaties en andere ‘happenings’ op en rond het Spui.

Grootveld stelde Van Duijn voor om van de oorlog tegen het gezag een spel te maken. Dus stonden in het eerste nummer van het blad Provo niet alleen „ludieke recepten” voor ontplofbare stoffen (knalkwik, knalzilver), maar werd ook in elk exemplaar een stripje speelgoedpistoolklappertjes geplakt. Konden de lezers thuis vast wennen aan explosieven.

Verbetenheid en theater

De combinatie van Van Duijns revolutionaire verbetenheid en Grootvelds theatrale anarchisme bleek een succesformule. Uit de hele wereld kwamen mensen kijken naar de Nederlandse variant van de internationale jongerenrevolte. In de film zitten prachtige opnamen van de Deense tv op bezoek in Amsterdam. Maar er zat tevens een ingebouwd schisma in de wortels van Provo. Van Duijn stond een anarchistische revolutie voor, maar wilde er dan wel graag de leider van zijn. In een onderhuids agressief gesprekje anno nu pikken Van Duijn en het eerste Provo-raadslid Bernhard de Vries als ouwe haantjes in elkaars nek. „Schoof jij jezelf niet als leider naar voren?”

Speelsere vogels als Grootveld, maar ook Rob Stolk en Emanuel Lorsch wilden dat de beweging ongrijpbaar bleef. „Ik geloof dat het de kracht van Provo is geweest dat het een groot raadsel is”, zegt Rob Stolk in een opname uit de tijd dat Provo plechtig ten grave werd gedragen. Provo was een „onbeheersbaar imaazje” geworden, zei hij in de onnavolgbare taal van die tijd. ‘Gnot’ voor het consumentisme. ‘Koolmonoxideklootjesvolk’ voor automobilisten. De annexatie van het woord ‘wit’. In een recensie in muziekblad Hitweek wordt de exhibitionistische performancekunstenaar Yoko Ono – dan nog geen mevrouw Lennon – gevraagd waarom haar „bibsenfilm” NO. 4 heet.

Het aardige van Rebelse stad is dat deze hogere taalkunst en andere vormen van ontregeling ruim maar terloops aan de orde komen. Typerend voor deze wat warrige documentaire, waarin hoofd- en bijpersonen de volle twee uren over elkaar heen buitelen, niet altijd in logische volgorde. Het is de charme en de zwakte van de film.

Geringe zelfreflectie

Als je streng bent, moet je vaststellen dat Lindwer emotioneel en intellectueel weinig afstand heeft gehouden tot zijn onderwerp. Emotioneel: in het commentaar belicht de maker zijn eigen (kleine) plaats in deze geschiedenis, samen met „jeugdvriend Maarten”, die nooit een duidelijker rol krijgt. Waarom? Wat wil Lindwer over zichzelf zeggen? Blijft allemaal in het vage.

Intellectueel: de halve eeuw afstand heeft nauwelijks zelfreflectie opgeleverd, want je kunt de verwijten die de oude hoofdrolspelers elkaar maken niet serieus als bezinning beschouwen.

Bernard de Vries vertelt nog altijd glunderend over de rookbommen bij het huwelijk van Beatrix en Claus, alsof hij persoonlijk de Duitsers had verjaagd in 1945. Fotograaf Cor Jaring zegt trots dat de Oranjes „nog nooit zo’n publicity hebben gehad als toen”. Geen spoor van spijt of zelfs maar de erkenning dat ze een jongeman zonder enige reden voor nazi hadden uitgemaakt.

Wat Rebelse stad vooral mist is een leidend beginsel, een houvast, een intrige. Zoals Louis van Gasteren die wel vond in Hans: het leven voor de dood (1983), een film die de hele prehistorie van de swinging sixties beschreef, terwijl hij feitelijk vrij strak het verhaal vertelde van de jong gestorven stadsbohémien Hans van Sweden.

Lindwer had best de kloof tussen Van Duijn en de in 2009 overleden Grootveld als kader kunnen nemen. Van Duijn is in de overtuiging van zijn eigen gelijk volstrekt eerlijk, maar de mooiste terugblik is een nooit eerder uitgezonden gesprek met Grootveld uit 2001. De antirookmagiër haalt er in wolken rook en zwoegend door het vastzittende slijm van zijn longen herinneringen aan zijn uche-uche-uche-happenings op. Daar kun je lang naar kijken.