Cynische Odyssee lang de ruïnes van de jaren zestig

Als Fear and Loathing in Las Vegas het moment liet zien waarop The Summer of Love al in een bad trip was veranderd, dan markeert Inherent Vice het moment waar dat gebeurde, waar de idealen van de jaren zestig in paranoia en cynisme omsloegen. Geen wonder dus dat Paul Thomas Anderson het op zich nam het onverfilmbaar geachte boek van Thomas Pynchon te verfilmen. Het relaas van privédetective Doc Sportello, een Philip Marlowe op dope, in het Los Angeles anno 1970 past perfect in zijn grotere project als chroniqueur van de tegenculturen van de Amerikaanse westkust.

Vergeleken met Pynchons eerdere boeken is Inherent Vice tamelijk rechtlijnig, maar nog steeds een doldwaze buiteling van subplots, zijlijntjes en omwegen. Het verhaaltje dat daaruit valt te destilleren gaat over Docs verdwenen ex Shasta, het complot dat zij wil beramen of juist oplossen, of waarvan zij misschien het slachtoffer werd. In elk geval speelt de rijke projectontwikkelaar die zij haar minnaar noemt een hoofdrol. Al lijkt dat ook weer een afleidingsmanoeuvre voor een vreemde trip langs politiebureaus, bordelen en strandhuizen van Los Angeles.

Doc ziet nooit een reden om uit zijn drugsroes te ontwaken: hij steekt er nog eentje op. Anderson grijpt zijn kans en voert ons langs een keur van eigenaardige personages die we sinds Boogie Nights niet meer in zoveel kleur en detail in zijn films zagen. Je zou het een cynische Odyssee kunnen noemen, al is het doel ongewis en zijn de schikgodinnen permanent stoned.

Inherent Vice is heel erg een Amerikaanse metafilm die speelt met tradities en verwijzingen. Hij is schatplichtig aan de ensemblefilms van Robert Altman, aan de hardboiled privédetectives van de jaren veertig en stonerkomedie The Big Lebowski. Maar toch is het niet alleen maar een neo-postmoderne exercitie: Anderson is wel degelijk geïnteresseerd in de sociologie achter zijn verhaal, in de krachten die het moderne Amerika vormgaven. In het schrijven en onttakelen van de mythen van zijn land, zoals eerder Martin Scorsese dat deed.

Inherent Vice is de perfecte imperfecte film. Hij is zijn eigen ‘inherent vice’, illustreert zijn eigen, inherente gebrek, of misschien wel dat van het leven: er is geen plot, geen logica, alleen een wanhopige theorie van alles waar we ons mee verstrooien omdat de nuchtere realiteit zo onthutsend is.