Werk jij bij NRC? Zeker omdat je allochtoon bent

NRC-redacteur Maral Noshad Sharifi is in Iran geboren. Volgens haar kan diversiteit stigmatisering in de media voorkomen.

Vorig jaar, een dag voor de gemeenteraadsverkiezingen twitterde Ferry Mingelen, oud-verslaggever van NOS: ‘Haagse lijsttrekkers PvdA en PVV vanavond in debat over Marokkanen’.

Acteur Achmed Akkabi reageerde: ‘Waarom debatteren over mensen die in Marokko wonen?’ Het was al de tweede keer die week dat Mingelen kritiek kreeg op zijn woordkeuze. Eerder twitterde hij dat de PvdA in Den Haag Marokkaanse stemmen wilde winnen. Reactie van meerdere twitteraars: ‘Het zijn NL’ers Ferry’.

Het had geen effect.

Als vluchteling kwam ik twintig jaar geleden naar Nederland. Mijn vader vindt het lastig om foutloos Nederlands te schrijven. Toch ben ik redacteur bij nrc.next, een landelijke krant.

‘ Jij een contract bij NRC? Hoe kan dat?’ is een vraag die ik vaak krijg. Vaak gevolgd door: ‘dat is zeker omdat je allochtoon bent?’

De jongeren met een niet-westerse achtergrond die ik interview zijn verbaasd over de achterdochtige opmerkingen die ze soms krijgen van landgenoten: ‘hoe kan het dat jij die baan hebt gekregen?’ Of juist het pamperende: ‘wat knap dat jij op de universiteit zit’. Een groep studenten op de Universiteit van Amsterdam is hier zelfs een campagne tegen begonnen, I too am UvA. Ze zijn de achterstand al lang ontstegen. Ze voelen zich niet anders, maar worden toch als ‘anders’ benaderd.

Soms denk ik: steeds meer mensen voelen zich Nederlander, maar is Nederland er wel klaar voor om ze als Nederlanders te zien? Zien de media die deels het beeld van minderheden bepalen hun wel als Nederlanders?

De grens van wat wel en niet gezegd kan worden over minderheden wordt niet bepaald door minderheden. De dominante groep bepaalt die grens met woorden als: kut-Marokkaan, knuffel-Marokkaan, excuusallochtoon, media-Marokkaan, de Turk (slager/groenteboer), buitenlander en het allerergste: neger. Het gebruik van die woorden werkt heel stigmatiserend.

Het zit zo diep verankerd in onze taal. Een voorbeeld: Pieter Klein, adjunct-hoofd van RTL die na de ‘minder, minder’- uitspraak van Wilders een kritische brief schrijft en het dan zelf over jonge kut-Marokkaantjes heeft. Als het normaal is dat de adjunct-hoofd van RTL het woord ‘kut’ linkt aan een etniciteit, dan is het niet zo gek dat het volk minder Marokkanen wil. En het is toch bizar dat eerste en tweede generatie Nederlanders niet als Nederlanders worden gezien?

Twee weken geleden werd er in het coververhaal van Vrij Nederland zonder uitzondering gesproken over Turken en Marokkanen op scooters. De jongeren in het verhaal voelden zich ook geen Nederlander: wat een verrassing, als er zo over je geschreven wordt. Turkije en Marokko kennen ze ook niet, ze zijn nu eigenlijk stateloos.

Zien redactieleden niet dat dit schadelijk is? Was er dan geen eindredacteur die tegen Klein zei dat het gebruik van de woorden kut-Marokkaantjes onbeschaafd is?

Datzelfde dacht ik van mijn eigen redactie toen afgelopen zomer het woord neger in de krant stond. Als ik die dag niet op vakantie was had ik er iets van gezegd en was het weggehaald. Dat was eerder ook al gebeurd – er wordt nooit moeilijk over gedaan.

Dat is wel het grote nadeel van de overheersend witte redacties. Dit soort fouten vallen niet op en clichés worden constant bevestigd . Als je niemand hebt op een redactie met een multicultureel netwerk, dan gaan de verhalen waar Khadija’s en Achmed’s in voorkomen al snel alleen over moslimextremisme. Is het belangrijk dat er mensen zijn op zo’n redactie die daar oog voor hebben? Ja, maar ik wil niet de enige zijn die het doet. Ik voel me verantwoordelijk, maar duw mezelf daarmee ook in een hoek waar ik echt niet wil zitten.

Als ik mijn collega’s hoor zeggen dat iets racistisch of cliché is, dan glunder ik stiekem van binnen. Maar ik zal nooit tegen ze zeggen: ‘hé wat knap dat jij dat begrijpt’.