Column

Meegaan in andermans lijden

De vernissage van beeldende kunst van de dichter Rogi Wieg (52) was die van een pop-uptentoonstelling, zó pop-up dat hij inmiddels al weer afgelopen is, na drie dagen. Gelukkig is er nog de catalogus, De kleine schepper geheten.

In de Amsterdamse kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae was bijna alles als bij alle vernissages: vriendelijk gekeuvel onder de genodigden, glaasje wijn, voor de kunstenaar vleiende toespraakjes, afwezigheid van elke substantiële kritiek op de kunst, die overigens daadwerkelijk aardig was.

Bijzonder was de afwezigheid van de kunstenaar zelf. Van hem werd een boodschap voorgelezen, met deprimerende verwijzingen naar het heelal waarin de mens niets voorstelt.

Wieg is al vele jaren ten prooi aan een zware, kennelijk onbehandelbare depressie, waarin hij geen uitweg ziet. De boodschap van de zieke kunstenaar klonk als een afscheid, en was ook zo bedoeld – volgens de vriendenkring van Wieg die de expositie had georganiseerd (waartoe ik overigens in strikte zin niet behoor).

Zwaar psychisch lijden dient met mededogen en respect te worden benaderd, maar plaatst je als niet-lijdende soms in een merkwaardige positie. Dat viel me ook gisteravond op toen ik op de televisie 0,8 ampère geluk van Saskia Gubbels zag, een prachtige, intense documentaire over depressieve patiënten die worden behandeld met ECT (elektroconvulsie therapie), oftewel elektroshock. Mij viel vooral een bijzaak in de film op, misschien omdat ik die situatie enigszins ken: de hopeloosheid en onmacht die je als niet-zieke kunnen bevangen in het gesprek met een zwaar depressieve patiënt.

Wat kun je doen? Opmonteren, relativeren, de aandacht naar de buitenwereld afleiden? Goede kans dat de patiënt al deze voorzetten pareert en terugkeert naar eigen lijden en onmacht. Voor de niet-zieke voelt dat een tikje bedreigend. Want laten we eerlijk zijn: depressief is iedereen wel eens een uurtje, een dag, of desnoods een paar weken. Waarom gaat het bij de een over en wordt het bij de ander een quasi-permanente toestand?

Het is moeilijk daar iets stelligs over te bedenken. Maar zeker is dat je niet zomaar kunt meegaan in andermans lijden.

In sombere buien denk ik soms aan een jongen die ik de jaren zeventig als student kende en die toen een eind aan zijn leven maakte. Ook hem kende ik niet echt goed. Hij studeerde rechten, maar had artistieke aspiraties en we hebben samengewerkt bij de opvoering van een door hem geschreven, zwaar symbolisch openluchtspel. Voor zover ik daar oog op had, leed hij aan romantische wanhoop over zijn toekomst in de kille wereld der volwassenen.

Als ik een dipje heb, stel ik me soms voor dat ik juist met hem, samen ouder geworden, in een café zit en we ons wederzijds beklagen over het leven dat van geen kant deugt, en de liefde nog minder – het bekende gezeur. En dat we daarna, dronken en opgelucht, elk ons weegs gaan. Deze fantasie wordt door niets gerechtvaardigd. Maar afscheid? Ik dacht het niet.