Column

Hij doet het toch maar

Na afloop van de wedstrijd Vitesse-Ajax (1-0 hiep hoi) belandde ik in stadion Gelredome in een discussie waarin ik liever niet was beland. Het ging in plat Arnhems – ‘Ernums’– over en weer tussen een man die voor de wedstrijd nog vond dat Vitesse-trainer Peter Bosz moest worden ontslagen maar na het resultaat qua mening honderdtachtig graden was gedraaid, en een ander die nog steeds vond dat Peter Bosz moest worden opgehangen en die nooit meer van mening ging veranderen.

„Volgens mij heb jij de goedwies kapot”, zei de een, waarmee hij bedoelde dat de ander niet goed wijs was.

De ander: „Jij hebt zelf de goedwies kapot.”

De een: „Nee jij…”

Toen trainer Peter Bosz met z’n kale kop op de grote schermen verscheen, werd er door een van de twee ‘hij doet het toch maar’ gezegd, een zin die me terug naar mijn jeugd in Arnhem katapulteerde.

‘Hij doet het toch maar’ was met het woord ‘meulepeerd’ – zo noemen ze in Arnhem iemand die te dik is – zo’n beetje het enige wat mijn vader van het plaatselijke dialect had geadopteerd en net als alle Arnhemmers zei mijn vader ‘hij doet het toch maar’ als hij er in een verhit gesprek niet meer uitkwam.

‘Hij doet het toch maar’, zei mijn vader toen toenmalig premier Ruud Lubbers bij een anti-kernwapendemonstratie een vol Museumplein toesprak dat hem de rug toekeerde.

‘Hij doet het toch maar’, zei mijn vader als paus Johannes Paulus II weer eens iets had gezegd waar verder iedereen het mee oneens was.

‘Hij doet het toch maar’, zeiden wij – zijn kinderen – toen mijn vader in een restaurant tegen een glazen deur liep.

‘Ik doe het toch maar’, zei mijn moeder als ze na een conflict over iets totaal anders het eten op tafel zette.

Met ‘hij doet het toch maar’ zei je eigenlijk helemaal niets, maar je kon er alles mee verdedigen, tot aan het gijzelen van het NOS-journaal aan toe.

‘Hij doet het toch maar’ betekende ‘einde discussie’, ‘ik heb geen argumenten maar heb toch gelijk’ en ‘punt uit’ tegelijkertijd, en er was geen stad waar de zin ‘hij doet het toch maar’ vaker werd gebezigd dan in Arnhem.

„Hij doet het toch maar, of niet?” betrok een van de twee supporters me bij hun ruzie en hij wees naar trainer Peter Bosz op het scherm.

Heel even had ik de neiging om tegen die man te gaan schreeuwen dat hij de goedwies kapot had, maar die neiging wist ik te onderdrukken. Ik had het natuurlijk wel moeten doen. Of beter, ik had hem, gewoon omdat ik het niet met hem eens was, op z’n Arnhems twee ‘blauwe luiken’ moeten slaan. Dan hadden ze me allemaal nagekeken en tegen elkaar gezegd: ‘Hij doet het toch maar’.