Hollands glorie is vaak hartstikke Vlaams

Redacteur Merlijn Kerkhof (28) laat iedere dinsdag zien wat de schoonheid van klassieke muziek is. Vandaag: de Vlaamse supersterren.

Beeld Anna KLevan

Doet Nederland er echt niet toe op het gebied van de klassieke muziek? Vorige week probeerde ik op deze plek antwoord te vinden op de vraag waarom Nederland wel wereldberoemde schilders voortbracht, maar geen klassieke componisten (héél kort antwoord: calvinisme, geen hofcultuur, en in de negentiende eeuw ook gewoon armoede).

En toch: wie er een boek bij pakt over Nederlandse muziekgeschiedenis, zal zeker hoofdstukken over Nederlandse glorie tegenkomen. Al wordt daarbij gesmokkeld.

Nederland zoals we dat nu kennen bestond nog niet in de vijftiende of de zestiende eeuw. De Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden vormden één cultuurgebied onder Bourgondische en later Habsburgse heerschappij. Met de stichting van de Republiek in 1588 kwam daar een einde aan. Er was een noordwaartse migratiegolf vanuit het rijkere, dichterbevolkte Vlaanderen, dat in Habsburgse handen bleef.

Je zult je wellicht afvragen wat dit in hemelsnaam met muziek te maken heeft. Welnu: Vlaanderen was in de tijd van de Renaissance een belangrijk exporteur van componisten. Ieder toonaangevend hof in Europa wilde een Vlaming, en de meest succesvolle componisten maakten carrières zoals nu de beste voetballers dat doen – zoals zij van club naar club verkassen, gingen i fiamminghi, zoals ze in het Italiaans werden genoemd, van het ene hof naar het andere.

De Vlamingen waren, geholpen door de ontwikkelingen in de boekdrukkunst, de populairste componisten van Europa. Ze blonken uit in meerstemmige composities; ze schreven missen, motetten en andere vocale genres in een weelderige stijl, waarin de verschillende partijen (of: stemmen) evenveel gewicht hebben. Johannes Ockeghem, Jacob Obrecht en Lassus zijn enkele grote namen.

Gênant achteraf is dat de Nederlandse muziekwetenschap deze Vlamingen nog jarenlang heeft geclaimd. In Nederland werd gesproken van de ‘Nederlandse polyfonisten’. Aangezien ook veel van die grote namen uit het noorden van Frankrijk komen, is die benaming lastig te verdedigen. Tegenwoordig hebben we het over de ‘Franco-Vlaamse school’. Want uiteindelijk klinkt ook de naam van de grootste componist uit die school nogal Frans. Over de jonge jaren van Josquin des Prez weten we nauwelijks iets, en ook op de vraag hoe ‘Vlaams’ hij was hebben we geen antwoord. Wel weten we dat hij de Zlatan Ibrahimovic van zijn tijd was: zoals de stervoetballer vele topclubs versleet, hopte Josquin (ca. 1450-1521) van Aix-en-Provence naar Milaan, van Ferrara naar Rome.

Josquin was een meester. Maar wie nu naar zijn muziek of naar die van zijn tijdgenoten luistert, moet 500 jaar overbruggen. De geheimen geven zich niet gemakkelijk prijs. Zijn missen zijn raadselachtige stemmenweefsels waarin waanzinnig veel tegelijk gebeurt. Zoveel dat je niet weet wáár je naar moet luisteren. Leuke muziek voor op de achtergrond? Onmogelijk – je wordt gillend gek. Josquin vereist opperste concentratie – het is muziek met een veel grotere spanningsboog dan we nu gewend zijn.

Maar moet je er jaren voor gestudeerd hebben? Dat ook weer niet. De weidsheid is overrompelend.

Gewoon on-Nederlands goed.