Hoe Buma zich in het centrum wil spelen

We kenden al de C3 – de drie ‘constructieve oppositiepartijen’ D66, ChristenUnie en SGP die sinds najaar 2013 het kabinet op vrijwel alle onderwerpen de Eerste Kamer door helpen. Sinds een paar dagen hebben we ook de O7 – zeven oppositiepartijen die zich zorgen maken over het anti-terreurbeleid van het kabinet Rutte II.

Op het eerste gezicht is het verwarrend dat de C3 ook weer deel uitmaken van de O7, nu aangevuld met de SP, CDA, PVV en GroenLinks. Maar dat is met het oog op de aankomende verkiezingen voor de Provinciale Staten en de Eerste Kamer ook een nuttige reminder. Premier Rutte mag dan graag zeggen dat hij hoopt op een meerderheid in de Eerste Kamer van de vijf partijen die zijn kabinet stutten – de coalitiepartijen VVD en PvdA plus de C3 – maar die laatste laten zich niet zomaar in het mandje van de afstrafbare ‘regeringspartijen’ lokken. Ze willen de kiezer graag laten zien dat ze niet samenvallen met de coalitie, dus de verschillen moeten opvallen. Zie de kritiek op de bezuinigingen op de rechtsbijstand (D66), het zorgbeleid (ChristenUnie). En nu dus het anti-terreurbeleid. De fractieleiders waren al kritisch in een Kamerdebat, maar mocht u dat vergeten zijn: nu zijn er dus ook schriftelijke vragen.

Voor het kabinet is het intussen een onheilspellend teken, dit gezamenlijke front van de gehele serieuze oppositie (alleen de zes splinters met 1 of 2 zetels ontbreken). Hier wordt aan dossieropbouw gedaan. Mocht er een aanslag worden gepleegd of anderszins iets ernstigs gebeuren, dan staat het kabinet er alleen voor, is de stille boodschap. De vragen van de O7 gaan over de middelen voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst – waarvan Rutte vorige maand zei dat ze voorlopig voldoende zijn. Ze gaan over het volgen van ‘terugkeerders’ – intrigerend hoe slepende kwesties zoals het volgen van uit Syrië terugkerende jihadstrijders in Den Haag als vanzelf een soort verhullende codetaal opleveren. Voor wie net terugkeert van vakantie uit Thailand of Peru en niet steeds alles heeft gevolgd: u bent dus geen ‘terugkeerder’.

De oppositiepartijen kruipen met een hun gezamenlijke optreden een klein stukje in de richting van de felste onder hen, Geert Wilders. De PVV-leider waarschuwde Rutte eerder dat de premier ‘bloed aan de handen’ zou hebben bij een aanslag in Nederland. Naarmate meer partijen de indruk hebben en versterken dat het kabinet laks is, doet het er minder toe waarom Rutte cs níet meer geld en mankracht vrij willen maken: naast de argumenten en inhoudelijke inschatting, gaat het nu ook om het politieke risico.

Politiek bedrijven omtrent veiligheid en terreurdreiging is ook voor de oppositiepartijen niet zonder gevaar: tussen kritiek en stemmingmakerij ligt geen enorme afstand. Een van de effecten van het gezamenlijke optreden van de zeven fractievoorzitters is dat de vloer niet geheel aan Wilders wordt gelaten. Des te meer valt op dat de O7 niet wordt aangevoerd door de leider van de grootste oppositiefractie, Emile Roemer van de SP. Hij is weliswaar de ‘eerste indiener’ van de vragen aan het kabinet, maar in de media loopt CDA-leider Sybrand van Haersma Buma voorop. Dit weekend verweet hij Rutte bij het tv-programma Buitenhof ‘gemakzuchtig’ om te gaan met de kritiek. Hij stelde voor een meldplicht bij de gemeente in te voeren voor geradicaliseerde moslims, die hij ‘wandelende tijdbommen’ noemde.

Opiniepeilingen wijzen niet het CDA aan als grote winnaar als er nu verkiezingen waren. D66 maakt meer kans. Door VVD’ers in het kabinet wordt wel uitgezien naar een terugkeer van het CDA in het ‘kamp der redelijken’, zoals een van hen het noemt, na de verkiezingen. Buma bouwt vast aan een stevig wensenlijstje.