Deze straatmuzikant had eerst geen stem

Benjamin Clementine verruilde zijn leven als straatmuzikant voor dat van popster. Van de Parijse metro belandde hij op feestjes in Cannes. Twee weken terug verscheen zijn eerste album.

Foto ROGER CREMERS

Het poppubliek houdt van buitenstaanders. Seasick Steve, voormalig landloper, bleek een eigen versie van de blues op zijn zelfgemaakte gitaar te kunnen spelen. Zodra zijn achtergrond naar buiten kwam, werd de ‘pure’ en onbezoedelde zanger omarmd door het publiek. Datzelfde gebeurt nu met de 26-jarige zanger Benjamin Clementine, een wolvenkind uit Londen.

Ook Clementine werd door het publiek razendsnel opgepikt – zowel om zijn theatrale ballades met piano als om zijn levensverhaal.

De Ghanees/Britse Clementine liep op zijn zestiende weg van huis naar Parijs. Daar leefde hij op straat en zong in de metro. Hij werd ‘ontdekt’, verhuisde van de metro naar filmpremières in Cannes, en begon een carrière als serieuze popzanger.

Maar vandaag, als hij thee drinkt tussen de soundcheck en zijn optreden in een uitverkocht Paradiso, Amsterdam, is dat verleden ver weg. Clementine praat niet over zijn leven op straat, hij praat liever over Plato, zijn favoriete voetbalclub (Crystal Palace), en de schilder Jean-Michel Basquiat. Met vingers zo lang en dun als aanwijsstokjes gebaart hij om zich heen, terwijl zijn stem nadrukkelijk articuleert. Die stem is het eerste wat opvalt aan Benjamin Clementine – zacht tijdens een gesprek, weelderig golvend als hij zingt en als hij afwisselt tussen de gulle confessie van de soul en de ‘blauwe’ noten van jazz.

Het Nederlandse publiek zag hem in januari vorig jaar voor het eerst, tijdens Eurosonic in Groningen. Meteen maakte hij indruk, en werd gevraagd voor North Sea Jazz. Dat festival, afgelopen juli, heeft Clementine nooit bereikt, want hij was uit de trein gestapt in Roosendaal met het idee dat hij naar Rotterdam kon lopen.

Volbloedige emotie

Op deze avond in december kijkt en luistert het publiek met open mond naar de expressieve Clementine, met opzet gezeten op een extra hoge kruk, zodat hij over de vleugel heen de zaal kan zien. Zijn zang bulkt aan volbloedige emotie. Het is een zangstem die ook onrust wekt, omdat hij elk moment uit de bocht lijkt te kunnen vliegen als een race-auto op het circuit. Alsof hij de uitgestoten klank niet helemaal onder controle heeft.

In de kelder van Paradiso vertelt Clementine over de ‘geboorte’ van die eigen zangstem. Daarvoor springt hij terug naar de tijd in Parijs, toen hij geld verdiende met zingen op straat.

Zoals de meeste straatmuzikanten speelde hij de bekende liedjes van anderen. ’s Avonds, in het hostel waar hij met drie andere mannen in stapelbedden bivakkeerde, werkte hij aan eigen nummers. „Ik schreef en zong de hele avond. Maar het leidde nergens toe” – zijn katachtige ogen trekken zich samen – „ik kon het niet.” Hij praat met effect, net zo theatraal als zijn liedjes. „Op straat voor het publiek zong ik nummers van Jimi Hendrix of Nina Simone. Mijn stem volgde hun timing en soul-achtige glooiingen. Als ik dan ’s avonds mijn eigen composities zong, leek ik nog steeds op hen. Ik had geen eigen stem en dat maakte me wanhopig.”

Na een korte stilte: „Totdat ik het liedje ‘Cornerstone’ schreef. Toen ontdekte ik iets.” Hij zingt een paar zinnen: ‘I’m alone in a box of stone/ They claim to be near me but they were all lying, it’s not true.’ „Die tekst gaat over mezelf. Ik ben dat, ik ben ‘Cornerstone’. En daardoor, als een logisch gevolg, kwam” – hij slaat een hand op tafel – „ook mijn eigen stem naar buiten. Die was anders. Die was raarder en ik schreeuwde, zomaar. Omdat die klank hoorde bij het onderwerp waarover ik zong.”

Hij draait koket zijn hoofd opzij. „Wat leerde me dat? Dat mijn stem moet kloppen met het onderwerp. Het betekent ook dat je eerlijk moet zijn. Dat geldt voor mij, tenminste.” Hij gebaart naar boven, waar straks zijn uitverkochte concert plaatsheeft. „Daarom komt er opeens zoveel publiek. Ik denk dat niet heel veel mensen werkelijk zingen over wat hen na aan het hart ligt. Maar dat is waar het publiek behoefte aan heeft. Dat zag ik toen ik ‘Cornerstone’ voor het eerst zong, op een feestje in Cannes. Na nummers van anderen kwam dit liedje en de reactie was verrassend. De mensen stonden te praten maar werden als door een magneet naar mij toe getrokken. Ze waren ineens stil.”

Toen de blokkade weg was, volgde er een stroom liedjes die stuk voor stuk verwijzen naar eigen ervaringen en herinneringen: ‘London’, over zijn opgroeien; ‘Nemesis’ over bedrogen liefde; ‘Condolence’, een cynisch commentaar op mensen en hun verwachtingen (‘I’m sending my condolence to fear’).

Royale stem

Twee weken geleden verscheen zijn debuut- cd At Least For Now. Te midden van gracieuze instrumentaties met viool, piano en een enkele snaredrum, kolkt die royale stem, in soms maffe nummers, zoals ‘St-Clementine-On-Tea-And-Croissants’, en prachtige tracks als ‘Winston Churchill’s Boy’ en ‘Gone’.

De opbouw verloopt in melodieuze zwerftochten. Clementine-de-buitenstaander maakt muziek die klinkt alsof hij haar zelf heeft uitgevonden, zich nauwelijks bewust van de historie.

De uitvoeringen van de liedjes is op cd anders dan bij de liveconcerten, waar hij meestal in zijn eentje achter de piano zit, of, zoals in Paradiso, wordt begeleid door een cellist. „Ik moet daarbij denken aan de werkwijze van Jean-Michel Basquiat”, zegt hij. „Basquiat maakte vaak een reeks verschillende schilderijen over hetzelfde thema. Zo kan ik ook hetzelfde onderwerp in allerlei uitvoeringen brengen. Denk maar aan Plato die zei dat de werkelijkheid het nooit haalt bij je ideaalbeeld. Om dat probleem te omzeilen heb ik voor mijn liedjes geen vast doel voor ogen. De lange vingers zwaaien door de lucht. „Mijn liedjes mogen vrij ‘zweven’.”

Het nieuwe album At Least For Now staat op Spotify (nrch.nl/42rd)