De rede die de Duitsers bevrijdde

Dit weekend overleed oud-president Richard von Weizsäcker. Hij werd vooral geroemd vanwege een toespraak op 8 mei 1985, die later in 20 talen is vertaald. Wat stond erin?

Hij was een van de meest geliefde Duitsers, ook in Nederland. Dat komt vooral door een toespraak die hij als president van de Bondsrepubliek hield op 8 mei 1985, ter herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog, veertig jaar eerder. Terwijl de oude generatie het oorlogsverleden nog amper onder ogen durfde te zien, noemde Richard von Weizsäcker 8 mei 1945 een ‘dag van de bevrijding’. Ook voor Duitsland. In Nederland was prins Claus, de van oorsprong Duitse echtgenoot van koningin Beatrix, zo onder de indruk dat hij de toespraak liet vertalen. Hij schreef er een inleiding bij en liet de rede in boekvorm uitgeven. Uiteindelijk is de tekst in 20 talen vertaald. Hieronder enkele fragmenten, opgediept uit het Koninklijk Huis Archief.

‘Vele volken herdenken thans de dag, waarop een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog in Europa. Naar gelang van zijn lotsbestemming heeft elk volk daarbij zijn eigen gevoelens. Overwinning of nederlaag, bevrijding van onrecht en vreemde overheersing of overgang naar nieuwe afhankelijkheid, verdeling, nieuwe bondgenootschappen, geweldige machtsverschuivingen – de achtste mei is een datum van beslissende historische betekenis in Europa. Wij Duitsers gedenken deze dag onder elkaar, en dat is noodzakelijk. Wij moeten de maatstaven daarvoor zelf vinden. Ontzien van onze gevoelens door onszelf of door anderen helpt ons niet verder. (...) De achtste mei is voor ons bovenal een dag van herinnering aan wat mensen moesten lijden. Het is tegelijkertijd een dag om de gang van onze geschiedenis te overdenken. Hoe eerlijker wij deze dag tegemoettreden, des te vrijmoediger kunnen wij onze verantwoordelijkheid voor de gevolgen daarvan aanvaarden.

De achtste mei is voor ons, Duitsers, geen dag om feestelijk te vieren. De mensen die deze dag bewust hebben beleefd, denken terug aan heel persoonlijke en daarmee aan heel verschillende ervaringen. De een kwam thuis, de ander verloor zijn land van herkomst. Deze werd bevrijd, voor gene begon de gevangenschap. Velen waren alleen maar dankbaar, dat de nachtelijke bombardementen en de angst voorbij waren en dat zij het er levend hadden afgebracht. Anderen gevoelden smart over de totale nederlaag van het eigen vaderland. Verbitterd stonden Duitsers voor verbrijzelde illusies, andere Duitsers waren dankbaar voor het nieuwe begin dat hun werd geschonken.

Het was moeilijk om terstond duidelijk zijn plaats te bepalen. Onzekerheid vervulde het land. De militaire capitulatie was onvoorwaardelijk. Ons lot lag in de handen van de vijanden. Het verleden was verschrikkelijk geweest, vooral ook voor velen van deze vijanden. Zouden zij ons nu niet veelvoudig laten boeten voor wat wij hun hadden aangedaan? De meeste Duitsers hadden geloofd dat zij voor de goede zaak van het eigen land hadden gestreden en ook geleden. En nu zou blijken: dit alles was niet alleen tevergeefs en zinloos geweest, maar het had ook de onmenselijke doeleinden van een misdadige leiding gediend. Uitputting, radeloosheid en nieuwe zorgen kenmerkten de gevoelens van de meesten. Zou men nog de eigen familieleden terugvinden? Had een nieuw begin in deze ruïnes nog wel zin? Men keek terug in de donkere afgrond van het verleden en men blikte vooruit naar een onzekere, donkere toekomst.

En toch werd het van dag tot dag duidelijker, wat vandaag voor ons allen moet worden gezegd: de achtste mei was een dag van bevrijding. Die dag heeft ons allen bevrijd van het systeem van de nationaal-socialistische tirannie, een systeem dat mensen veracht.

Niemand zal omwille van deze bevrijding vergeten welk zwaar lijden er voor vele mensen pas op de achtste mei begon, niemand ook het leed dat daarna is gevolgd. Maar wij mogen in het einde van de oorlog niet de oorzaak van vlucht, verdrijving en onvrijheid zien. Die oorzaak ligt veeleer in de aanvang van de oorlog en in het begin van dat dwangregime dat tot die oorlog leidde. Wij mogen de achtste mei 1945 niet scheiden van de dertigste januari 1933.

Wij hebben waarlijk geen reden om op deze dag aan overwinningsfeesten deel te nemen. Maar wij hebben er alle reden toe de achtste mei 1945 te zien als het eind van een dwaalweg in de Duitse geschiedenis, een eind dat de kiem van de hoop op een betere toekomst in zich borg. (...)

‘Wij hebben waarlijk geen reden tot aanmatiging en eigendunk, maar wel mogen wij ons de ontwikkeling in deze veertig jaar met dankbaarheid herinneren. Wanneer wij de herdenking van onze eigen geschiedenis als richtlijn gebruiken voor onze houding in de tegenwoordige tijd en voor de onopgeloste problemen die ons wachten. • Als wij ons herinneren dat geesteszieken in het Derde Rijk werden gedood, zullen wij de toewijding aan psychisch zieke burgers opvatten als een eigen opdracht.

• Als wij ons herinneren, hoe zij die op grond van ras, godsdienstige of politieke overtuiging werden vervolgd en door een zekere dood bedreigd, vaak voor de gesloten grenzen stonden van andere landen, zullen wij de deur niet sluiten voor degenen die thans werkelijk aan vervolging blootstaan en bij ons bescherming zoeken.

• Als wij ons de vervolging herinneren van de vrije geest tijdens de dictatuur, zullen wij de vrijheid van elke gedachte en van elke kritiek beschermen, hoezeer die zich ook tegen onszelf kan richten.

• Wie over de toestand in het Nabije Oosten oordeelt, behoort aan het lot te denken dat Duitsers de joodse medemensen hebben doen ondergaan en hij dient ook te beseffen dat de stichting van de staat Israël tot stand kwam onder voorwaarden die ook thans nog een belasting vormen voor de mensen in dit gebied.

• Als wij eraan denken wat onze oostelijke buren in de oorlog hebben moeten lijden, zullen wij beter begrijpen dat de verzoening, de ontspanning en de vreedzame nabuurschap met deze landen de voornaamste taak van de Duitse buitenlandse politiek blijven. Beide partijen dienen zich het verleden te herinneren en elkaar te respecteren. (...)

‘Bij ons is geleidelijk een nieuwe generatie gegroeid in het dragen van politieke verantwoordelijkheid. De jongeren zijn niet verantwoordelijk voor wat er vroeger is gebeurd. Maar zij zijn wel verantwoordelijk voor dat wat daaruit in de geschiedenis voortvloeit. Wij ouderen zijn de jongeren niet de vervulling van dromen verschuldigd, maar oprechtheid. Wij moeten de jongeren helpen te begrijpen waarom het van levensbelang is de herinnering levend te houden. Wij willen hen helpen zich nuchter en zonder eenzijdigheid met de historische waarheid bezig te houden. Wij leren uit onze eigen geschiedenis waartoe de mens in staat is. Daarom moeten wij ons niet inbeelden dat wij nu als mens anders en beter zouden zijn geworden. Er bestaat geen definitief verworven zedelijke volmaaktheid — voor niemand, in geen enkel land. Wij hebben als mensen geleerd en wij blijven als mensen bedreigd, maar wij bezitten de kracht bedreigingen altijd weer te boven te komen. Hitler heeft altijd gewerkt met het aanwakkeren van vooroordelen, vijandschap en haat. Wij vragen onze jonge mensen: laat u niet aanzetten tot vijandschap en haat

tegen andere mensen,

tegen Russen of Amerikanen,

tegen joden of Turken,

tegen alternatieven of conservatieven,

tegen zwart of blank.

Leert met elkaar te leven, niet tegen elkaar. Laat u ook ons, als democratisch gekozen politici, dat steeds weer ter harte nemen en een voorbeeld geven. Eren wij de vrijheid. Werken wij voor de vrede. Houden wij ons aan het recht. Dienen wij onze innerlijke maatstaven der gerechtigheid. Zien wij op deze achtste mei de waarheid onder ogen zo goed als wij het kunnen.”